Welkom en veel leesgenoegen
Japie

Japie, het straatjochie!

 

Het is de avond vóór Kerstmis. Het wordt stil op straat. De meeste mensen hebben hun kerst inkopen in huis gehaald en bereiden zich voor op een paar heerlijke dagen in de familiesfeer bij de fraai opgetuigde kerstboom met de vele pakjes daaronder.
Zij verheugen zich ook op het kostelijk kerstdiner waar in die dagen zoveel meer aandacht aan wordt geschonken. De kinderen kunnen haast niet wachten op het moment dat ze mogen weten wat er achter dat mooie pakpapier verborgen zit.

Zou er dat mooie boek in zitten, wat al zo lang op het verlanglijstje staat?
Of die nieuwe fiets, waarom zij hebben gevraagd? Misschien wel de, zo zeer gewenste skeelers, zoals de  kinderen op school ook allemaal hebben?

Ja, eigenlijk is dat wel zéker, want in tegenstelling tot vroeger, toen er nog niet zoveel welvaart was, is er bijna geen wens meer die niet vervuld kan worden.
Voor de meeste kinderen is Kerstmis één groot feest, vol verwennerij en gezelligheid.   Maar niet iéder kind is zo gelukkig dat alles in het leven naar wens verloopt.
Óh nee!! Er is ook veel ( verborgen) armoede onder de mensen. Ook in deze welvaartstaat, maar daar willen we nu even niets van weten want dát zal onze feestvreugde kunnen bezoedelen en daar willen we nu even niét mee geconfronteerd worden !!

Maar toch….!

Ondanks de kou en de sneeuw die maar blijft vallen zijn er nog steeds mensen op straat.  Het zijn de daklozen. Zij die om wat voor reden dan ook, geen vaste verblijfplaats meer hebben. Er staat nog een enkele kerstboomverkoper die zijn laatste boom nog aan de man probeert te brengen. Hij verlangt ernaar, zijn voeten te warmen bij de verwarming en door zijn vrouw verwent te worden met een heerlijk warm bakkie koffie.

Op de hoek van de straat brengt een orkestje van het Leger des Heils, Kerstliedjes ten gehore.

Een enkeling blijft staan om naar de sfeervolle muziek te luisteren en komt, wanneer dat nog niet het geval zou zijn, in die vredige gemoedstemming die nu eenmaal bij deze dagen  hoort en waar je ook moeilijk aan kan ontkomen door het  sprookjesachtige wit, waarmee de wereld is getooid.

Onder degenen die aandachtig staan te luisteren naar de muziek behoort ook een tienjarig jongetje. In de kringen van de daklozen noemen ze hem; “Japie, het straatschoffie”.

Hoewel Japie niet dakloos is, heeft hij tóch zijn heil gezocht bij deze mensen op straat. Thuis heeft hij niet veel te zoeken!!

Zijn moeder is meestal niet thuis en als dat wel het geval is, dan is ze meestal dronken.

Nee, Japie heeft het niet getroffen in zijn nog zo prille leventje en hoewel hij veel van zijn moeder houdt, krijgt hij van haar niet de zorg en liefde die hij zo hard nodig heeft.

 Maria, Japie’s moeder, was nog maar pas achttien jaar toen zij, na een avondje stappen met een leuke jongen, zwanger werd. De vader van Japie wilde zijn verantwoordelijkheid niet dragen en zo gebeurde het dat zijn moeder voor de zware taak stond het kind alléén op te voeden.

Allerlei baantjes pakte zij aan om voldoende geld te verdienen voor hun levensonderhoud, maar steeds liepen haar pogingen op een fiasco uit en werd ze ontslagen.

Ach….Ze was zelf ook nog maar een kind en had niemand die zich om haar en haar kind bekommerde.

Door alle tegenslagen raakte Maria in de problemen.

Zij ging drinken, had geen aandacht meer voor haar kind en kon de noodzakelijkste dingen die nodig waren om in hun levensonderhoud te voorzien niet meer bekostigen. Het gezin verwaarloosde!

  Moe gestreden door de eindeloze zorgen gaat Maria de weg van de prostitutie op en inderdaad lijkt het erop dat er enige verbetering in hun financiële situatie komt. Japie weet niet waar deze verbetering aan te danken is, tot het moment dat hij de buren hoort fluisteren over de schandelijke levenswandel van “ die slet” van daarboven.

  Japie begrijpt, en steeds vaker gaat hij de straat op om de narigheid thuis te ontvluchten en zo gebeurde het dat hij op deze avond vóór Kerst door de kille, koude straten van Amsterdam slentert.

De financiële opleving was overigens maar van korte duur. Japie’s moeder kon niet van de drank afblijven en daar gingen alle zuurverdiende centjes aan op.  De huisbaas ging druk uitoefenen om de huur betaald te krijgen en dreigde het gezin op straat te zetten.

Zo ziet het er naar uit dat deze Kerst voor Japie niet zo rooskleurig zal zijn als voor de meeste andere kinderen.

Verdrietig loopt Japie door de straten en vraagt zich af hoe hij zijn moeder een beetje kan helpen. 

Hij besluit nog even naar zijn vriend, Rooie Siem te gaan!

Misschien wordt hij daar een beetje vrolijker van en daarna gaat hij maar naar huis, want het wordt tijd dat hij wat te eten krijgt. Hij heeft honger gekregen van al dat geslenter.

  Rooie Siem is een man die, nadat zijn vrouw en kind bij een verkeersongeval om het leven zijn gekomen, aan het zwerven is gegaan.

In die tijd kon niets hem meer schelen en hij zwierf van stad tot stad. Nu heeft hij inmiddels zijn verdriet enigszins verwerkt en wil weer graag als een volwaardig mens in de maatschappij terugkeren. In Amsterdam heeft hij een plekje gevonden bij het station, waar hij, door de verkoop van de krant voor daklozen, hoopt de gelegenheid te krijgen het normale leven weer op te pakken.

Maar hoe hij ook zijn best doet om een baantje te vinden, het lukt maar niet.

De laatste keer heeft hij gesolliciteerd voor sjouwer in de haven, maar nog niets gehoord. “Zal ook wel weer niets worden”, denkt hij.

Nee, ook voor Rooie Siem zijn de kerstdagen moeilijk te verwerken.

 

Van veraf ziet Japie zijn vriend al staan. 

“Hallo, Rooie Siem “, roept hij.

Rooie Siem schrikt op uit zijn sombere gedachten en er komt een glimlach op zijn gezicht.

De eerste keer dat hij Japie ontmoette was hij in gezelschap van zijn moeder geweest. Zij had een krantje bij hem gekocht en ze hadden wat gepraat over het weer. Jantjes moeder was een knappe vrouw, weliswaar wat sober gekleed, maar haar schoonheid was er niet minder om.

Later, is het een gewoonte geworden dat Japie hem dagelijks opzoekt en dan spraken ze over zijn problemen thuis en zocht Japie troost bij zijn grote vriend.

Rooie Siem moet dan altijd denken aan de tijd van weleer.

Zijn jongen had nu ook ongeveer van Jaapies leeftijd geweest en dat heeft een band geschapen tussen deze twee eenzame mensen.

“ Moet jij zo zoetjesaan niet naar huis”? vraagt hij. “Je moeder maakt zich wellicht zorgen om je”.

“Ach welnee Siem,” zegt Japie, “waarschijnlijk heeft ze me nog geen eens gemist!
Maar je hebt gelijk, ik krijg trouwens ook honger, dus ga ik maar weer eens op huis aan”.

Hoofdschuddend kijkt Rooie Siem naar het ventje, dat zo veel voor hem is gaan betekenen.

“ Je moet niet boos zijn op je moeder Japie,” zegt hij, “zij heeft het erg moeilijk en zou waarschijnlijk ook liever hebben gezien dat jou en haar leven anders was verlopen”.

In zijn zak voelt hij het geld zitten dat hij deze dag heeft verdiend aan de opbrengst van de kranten. Van een chique dame had hij een flinke fooi gekregen. Zo maar, omdat het bijna Kerst is.

“Jullie hebben zeker nog geen kerstboom, hé Japie?”

Japie schudt zijn hoofd. “Oh nee, dat kon de grauwe weer niet trekken dit jaar, maar waarom vraag je dat?”

“Nou, weet je, ik kreeg vandaag een flinke fooi van een lieve dame. Zullen we eens gaan kijken of er nog een boom te koop is ?

Dan gaan we die samen naar je moeder brengen en misschien kan er dan ook nog wel een kippetje af, en vieren we morgen samen kerstfeest. Wat vind je er van?”

Japie kijkt zijn vriend verbaast aan, dat zou fijn zijn!!

“Echt waar, Rooie Siem”?, vraagt hij. Wat zal moeder blij zijn”.

 

Samen gaan ze op zoek naar de marktkoopman met de kerstbomen en ja, hij staat er gelukkig nog.

De laatste boom is nog steeds niet verkocht en de koopman wil naar huis. Hij kent Japie wel en weet dat het manneke het niet zo gemakkelijk heeft.

En ook met Rooie Siem heeft hij meer dan eens te maken gehad. Als de koopman zware planten of bomen moest verplaatsen , stak Rooie Siem hem  nogal eens bereidwillig  een handje toe.

“ Hallo, Rooie”, heb je al werk gevonden”? vraagt hij.

Verdrietig kijkt Rooie Siem hem aan en antwoordt, “ Ach nee, ik ben nu eenmaal een verdoemde. Niemand wil mij hebben en dat zal wel altijd zo blijven ook”

 

De koopman wrijft eens over zijn kin en zegt.”Weet je Rooie, ik begin ook een dagje ouder te worden en eigenlijk wordt het werk op de markt voor mij alléén een beetje teveel. Ik zoek iemand die mij zou kunnen assisteren. De verdiensten zijn wel niet zo groot, maar dan heb je in ieder geval werk en ik ben ook geholpen.Voel je er iets voor”?

Dolgelukkig neemt de rooie het aanbod van de marktkoopman aan.

“ Je kunt volgende week al beginnen”, zegt de koopman.

“Hier heb je vast een voorschot, ik gun jou ook een fijne kerst”

En tegen Japie zegt hij, nog voordat Rooie Siem hem naar de prijs van de kerstboom kan vragen. “Neem jij die boom maar mee naar huis Japie, dan is het bij jullie ook een beetje Kerst”.

Vol vreugde neemt Japie de boom in ontvangst. Hij bedankt de koopman en wil dan vlug naar huis.

Wat zal moeder blij zijn.

“Daag”, roept hij, “zalig kerstfeest koopman”.

 

Ook Rooie Siem voelt zich een stuk beter dan voorheen. Hij loopt met Japie mee naar diens huis, de kerstboom onder de arm.

Thuisgekomen roept Japie: “Moeder, waar ben je. Kom eens kijken wat ik heb meegebracht”?

Maria hoort haar zoon wel, maar ze is te veel uit haar doen om te reageren.

De huisbaas heeft haar de huur opgezegd met de mededeling dat het pand binnen een week moet zijn ontruimd, als ze niet binnen die tijd de huur heeft betaald. Wanhopig zoekt ze naar mogelijkheden om de ramp die boven haar, en Japie’s hoofd hangt af te weren.

 

Rooie Siem zet de kerstboom in de kamer en loopt daarna met Japie mee om zijn moeder te zoeken. Ze vinden Maria op bed. Ze huilt, en heeft verdriet.
Het spijt haar zo vreselijk dat ze niet beter heeft opgepast. Dan had ze zichzelf en ook Japie niet zo in de problemen gebracht.


Rooie Siem is wat verlegen met de situatie en als Japie zijn moeder zo verdrietig ziet, wordt het hem week om het hart. Japie rent naar haar toe, slaat zijn armen om haar heen en zegt.

“Moeder, waarom huil je zo”?

En dan komt het hoge woord eruit en Maria vertelt hoe bang ze is dat Japie en zij straks op straat zullen worden gezet.

“Het is mijn schuld,” zegt ze. “Ik heb er zo’n spijt van Japie, ik wil mijn leven beteren en een goede moeder voor je worden”.

Japie streelt zijn moeders wang en Rooie Siem staat er wat verloren bij.

 

“Weet je Maria” zegt hij, “ik wil je wel helpen. Ik heb nu weer een baan.
Ik zou voor een vrouw en kind kunnen zorgen.

Van die jongen van jou ben ik gaan houden en ik kan niet zien dat hij ongelukkig is en ook jij laat mij niet onverschillig, dus laat mij je het geld mogen geven voor de huur, zodat je hier kan blijven wonen!”

Als Maria wat van haar verbazing is bekomen en Rooie Siem zijn verhaal heeft gedaan, zegt ze tegen hem.”Het lijkt, of er hier een Engel God ‘s aan het werk is geweest, die jou en die marktkoopman op onze weg heeft geplaatst. Met jouw en Gods hulp kan ik mijn drankprobleem de baas worden en zal er wellicht voor ons allen nog een gelukkige toekomst zijn weggelegd. Hij heeft ons voor elkaar bestemd, denk jij ook niet”?

Stil heeft Japie naar zijn moeder en zijn grote vriend geluisterd en hij kan zijn geluk niet op.


Een mooier kerstfeest kan hij zich niet voorstellen.

Zijn moeder weer gelukkig en ook nog eens binnenkort een nieuwe vader?

En terwijl de grote mensen geen erg meer hebben in dat kleine figuurtje, vouwt hij dankbaar zijn handen en fluistert:

“Dank U heer, voor al uw goedheid, Amen”

©Mieke Batenburg 2000

 

Door het leven gelouterd

 

 In de gezellig ingerichte woonkamer heerst een sfeer van serene rust. Het is buiten koud en nat, maar binnen is er een heerlijke behaaglijke temperatuur.
Meneer en mevrouw de Bruin hebben zo juist hun middagmaaltijd genuttigd en zoals gebruikelijk nestelt meneer de Bruin zich,  vergenoegd en tevreden over het heerlijke eten, in zijn gemakkelijke stoel.
Mijnheer de Bruin heeft de krant gepakt en zoals gewoonlijk worden zijn ogen door het harmonische getik van de antieke staande klok en de behaaglijke warmte steeds zwaarder.
Het zal niet lang meer duren voordat de krant op de grond valt en de slaap hem zou wegdragen in de armen van Morpheus.

Mevrouw de Bruin ruimt de tafel af en zoekt haar schommelstoel op om het voorbeeld van haar man te volgen. Ze kijkt met genegenheid naar haar echtgenoot zoals hij daar rustig en voldaan luiert in zijn stoel en ze bedenkt hoe fijn ze het samen hebben.
Over een paar uur komt hun kleindochter met die twee kleine belhamels van achterkleinkinderen.
Daar verheugt ze zich nu al op want het is al weer enige weken geleden dat zij die schobbejakken in haar armen mocht sluiten en hoewel opa en oma altijd weer doodmoe zijn als de kinderen weer naar huis zijn gegaan,  zou ze die momenten van geluk niet willen missen.

In een hoekje van de kamer ligt Pinkel de roodbruine kater te spinnen van tevredenheid. Zo af en toe kijkt hij vanuit zijn ooghoeken naar de twee oude mensen die elk in hun eigen bezigheden verdiept zijn.
Het boek dat mevrouw de Bruin aan het lezen is, zakt steeds verder op haar schoot en ze droomt van lang geleden toen zij nog een jong meisje was.
Er heerst een volmaakte rust in de woning van het echtpaar………..


                                  0-0-0-0-0-0-0-0 

 Maria de Bruin was een rustig, in zichzelf gekeerd meisje. Vrienden en vriendinnen had zij niet. Zij had daarvoor geen tijd en óók in het geheel geen behoefte. Sinds de dood van haar lieve moeder, nu vier maanden geleden, zorgde zij voor het gezin van vader en de vijf kinderen in de leeftijd van vier tot vijftien jaar. Dat was een zware taak die op haar schouders rustte, maar Maria kwijtte zich met veel verantwoordelijkheidsgevoel van datgene, wat zij als zo vanzelfsprekend ervaarde. Vader was er haar dankbaar voor en dank zij Maria’s goede zorgen kon het leven zó, toch weer door gaan.

Op die zomerdag lag Maria heerlijk in het gras aan de rivierdijk. Ze genoot van de rust en het mooie weer. De zon stuurde zijn warme stralen naar de aarde en Maria koesterde zich in haar warmte.  Als de gelegenheid zich voordeed en de kinderen naar school of club waren vertrokken, was dat één van die dingen waar zij veel genoegen in schepte en kon zij zich even terugtrekken uit het drukke gezin.
Met een fles gazeuse bij de hand en een spannend boek had zij een mooi plekje gevonden. Met een grassprietje in de mond en schapenwolkjes die boven haar hoofd dreven, droomde zij van een mooie toekomst.

En dromen kon Maria heel goed. In haar dromen zag zij zichzelf als Florence Nightingale die in de onhygiënische legerhospitals, als eerste vrouwelijke verpleegster de gewonde Britse soldaten verzorgde die gewond werden binnengebracht van het slachtveld. Dat stuitte op veel weerstand bij de daar aanwezige medische staf. Voornamelijk omdat zij een vrouw was, maar met veel moed, geduld en liefde heeft zij er voor gezorgd dat de omstandigheden in de soldatenbarakken werden verbeterd en besmettelijke ziekten zoals cholera en de pest in de legerbarakken werden teruggedrongen.
Of zoals Jeanne ‘d Arc, die vóórop in het leger ten strijden trok, om de onderdrukte burgers te bevrijden van het juk waaronder zij gingen gebukt. Ja, dat was iets dat Maria ook zou willen doen.
Dienstbaar zijn aan de mensheid.
“Dat is toch waarvoor wij op deze wereld zijn gekomen?”.
“Om je naasten te helpen?”

Maria was achttien jaar toen zij droomde van een toekomst in de verzorging, maar gezien de situatie thuis, zou daar voorlopig wel niets van terechtkomen. “Maar ach, zorgen voor je broertjes en zusje is eigenlijk óók zorgen voor je naaste,” dacht Maria en ze keek naar de vlinder die vlakbij haar  was neergestreken. “Wat een prachtige kleuren heeft zo’n diertje”, dacht zij. ”Zo vrij te zijn als zij en dan de wereld ontdekken, dat zou toch mooi zijn”, zó mijmerde Maria, stil genietend van de rust en de natuur om haar heen…..
    
                                           
                             0-0-0-0-0-0-0-0

Het boek van Mevrouw de Bruin zakt verder van haar schoot en belandt met een zacht plofje op de grond. Ze schrikt wakker en kijkt slaperig naar haar echtgenoot die blijkbaar niets gemerkt heeft en rustig doorslaapt.

Pinkel de kater ziet dat het vrouwtje wakker is en vindt het tijd worden dat zij hem eens aanhaalt. Hij miauwt, springt op haar schoot en terwijl mevrouw de Bruin hem onder zijn kopje krauwt, sluit hij van genot zijn groene poezenoogjes en spint dat het een lieve lust is. Ook mevrouw de Bruin sluit haar ogen en is even later weer verzeild in dromenland.
                                             

                               0-0-0-0-0-0-0-0-

Van haar vader had Maria voor haar twintigste verjaardag een prachtige nieuwe fiets gekregen. Hij wilde haar belonen voor het vele werk dat zijn dochter verrichtte in het drukke gezin. Ook wilde hij op deze manier zijn dankbaarheid aan haar betuigen omdat zij zo haar best deed het gemis van de zo geliefde echtgenote en moeder te vergoeden.
Dolgelukkig trok Maria de polder in en voelde zich de koning te rijk. Gekleed in haar lichtgele zomerjapon, die wijd uitzwierde door de gesteven petticoat die ze er onder droeg, leek ze met haar goudblonde krullenkopje inderdaad op een prinsesje. De dorpelingen die zij met een vrolijke groet passeerde, keken nog eens om, naar haar blijde verschijning.

Op de terugweg ontmoette zij Jan, de zoon van de bakker van het dorp. Zij kende Jan al vanaf haar kinderjaren en toen Jan ouder werd, mocht hij met zijn vader mee met de bakkerskar. Jan had grote bewondering voor Maria en probeerde al langere tijd haar aandacht te trekken. Ja, eigenlijk moest hij zichzelf bekennen, was hij verliefd op haar geworden.
Terwijl hij haar lieftallige verschijning bewonderde, ging zijn hart naar haar uit en vroeg hij haar spontaan mee uit voor de jaarlijkse dansavond van de muziekvereniging, waarvan hij lid was.
Maria mocht Jan wel en was wel aan ontspanning toe, dus stemde zij in met zijn verzoek. Het was het begin van een opbloeiende liefde en de jongelui zochten elkaar steeds vaker op en praten over hun toekomst………

                                 0-0-0-0-0-0-0-0-

Mevrouw de Bruin schrikt van de plotselinge beweging die Pinkel maakt op haar schoot. Haar echtgenoot slaapt nog steeds en maakt daarbij luide, snurkende geluiden. “Moet je nu eens horen”, denkt ze bij zichzelf. “En dat zegt dan van zichzelf dat hij nóóit snurkt!!! Ja, ja!! ”. De staande klok slaat twee uur!
Heeft ze zó lang geslapen???
“Straks komen de kinderen, dus zal ik de theepot maar vast klaarzetten”, denkt ze en vertrekt naar het kleine keukentje dat hun appartement rijk is. Terwijl ze daarmee bezig is, herinnert ze zich haar dromen en ze is dankbaar dat het leven haar toch nog zoveel goeds heeft gegeven.

Toen haar vader later een goede vrouw had gevonden die de zorg voor hem en Maria’s broertjes en zusje overnam, is Maria getrouwd met haar Jan. Dat is nu alweer veertig jaar geleden. Ze kregen drie kinderen. Twee zonen, Julian en Wouter en hun dochter Liesbeth.
Mevrouw de Bruin denkt terug aan de tijd toen de kinderen nog klein waren. Na al die jaren dat ze voor haar broertjes en zusje had gezorgd had ze nu zélf een gezin! .

De jaren waren in volkomen harmonie vergleden en Jan en zij waren heel gelukkig met elkaar…. én met hun kinderen. Zij groeiden op, zonder noemenswaardige problemen en alle drie verwierven zij een goede toekomst en waren tevreden met hun bestaan.
Tót de dag, dat het noodlot opnieuw toesloeg en hun dochter Liesbeth en haar man Gerard, samen met hun kinderen Jasper van drie en Inge van twee jaar met de auto, waarmee zij op weg waren naar de ouders van Gerard, verongelukten na een kettingbotsing.
Liesbeth en Gerard waren op slag dood. De verwondingen van de kinderen vielen gelukkig mee en zij konden uit het wrak bevrijdt worden.
Zij werden van de ene dag op de andere wees. Het verdriet van Maria en Jan de Bruin was groot. Wat moest er van die bloedjes van kinderen terechtkomen??

En wéér nam Maria en haar lieve man Jan, de zorg op zich voor een gezin dat zónder moeder op moest groeien. Wederom een zware taak op de schouders van hen beiden.
Jan en zij moesten zowel opa en oma zijn,als vader en moeder.
Samen hebben zij ook déze taak volbracht en Inge en Jasper groeiden op tot gerespecteerde burgers, méde dank zij hun opa en oma.

Sóms denkt Maria nog wel eens terug aan de dromen die zij als jong meisje had, om te zijn als Jane ‘d  Arc, of Florence Nightingale die zich zo belangeloos opwierpen om de mensheid te dienen.
Het leven heeft zo zijn beloop gehad, en terwijl Mevrouw de Bruin haar lieve echtgenoot wakker maakt omdat de deurbel gaat en Inge en haar belhamels voor de deur staan, denkt zij: " Ik mocht dan wel géén voorvechter zijn zoals die twee vrouwen, maar ik ben dankbaar voor alles wat ons is gebleven.
Het leven heeft ons gelouterd en zó is het goed!! “

©Mieke Batenburg

 

Het straatbeeld van mijn kinderjaren

Het straatbeeld van mijn kinderjaren


Het straatbeeld van mijn kinderjaren is voor mij heel anders dan voor de meeste schrijvers onder ons, denk ik zo.
Mijn 'straatbeeld', bestond namelijk vooral uit water.
Daar ben ik op geboren en daar groeide ik op.
Heel beschermd onder vader en moeders hoede, samen met mijn broertje en twee zusjes. We waren erg op elkaar ingesteld, want het kwam maar zelden voor dat er andere kinderen waren om mee te spelen. Er moest immers altijd gevaren worden?

Noot: Als we onder een brug doorvoeren, en er kwam tegelijkertijd een trein over heen, hadden de schippers een bijgeloof. Dat was een teken dat we wéér zondags moesten varen.

Stilliggen betekende geldverspilling.
Ondanks het harde werken en altijd onderweg zijn, hebben we een fijne jeugd gehad. Om toch zoveel mogelijk buiten te kunnen zijn en wij geen bleekscheetjes zouden worden, had Vader een lijn gespannen van de kop tot de kont van het schip waar we  toen op vaarden.  Aan de lijn kwam een katrol en daaraan weer een lijn die om ons middel werd gebonden.
Zo konden we ons 'vrijelijk' bewegen van voor naar achteren, zonder dat mijn ouders zich zorgen hoefden te maken dat we overboord zouden vallen.
Als mijn moeder jarig was, werd die hele lijn volgehangen met kleine vlaggetjes, waaronder mijn moeder dan (trots als een koningin) de 'parade'
afnam!!
dat hoefde niet hoor, zo zei ze altijd, maar als vader het een keer was vergeten, was Leiden in last en 'telde zij zeker niet meer mee?'
Een van de leuke dingen was, als de parlevinker langs zij kwam. Als ieder kind waren we dol op snoep en dan kregen we altijd wel iets van de parlevinker extra, omdat hij ons graag als vaste klant wilde behouden.

Op verschillende plaatsen kwamen wij wel een parlevinker tegen. In Rotterdam vaarde zelfs een (grotere) parlevinker die ook kleding verkocht, maar daarvoor gingen we in de regel aan de wal. Of het nu in Antwerpen, Hamburg, aan de grens bij Lobith/Emmerich was. Het was altijd voor ons een avontuur als we ergens een parlevinker zagen. De parlevinkers zelf herkenden de schepen of sleepboten die geregeld bij hem kochten en draaiden al op als ze ons aan zagen komen. Hij was bij ons altijd zeer welkom, want dan kregen we weer vers brood
en 'echte' melk. Voor de houdbaarheid hadden we altijd gesteriliseerde melk,en omdat er toen nog geen ijskast aan boord was, maakte mijn moeder veel in.
Groenten, vlees en fruit.

Later gingen we op steeds grotere schepen varen en de laatste waar ik op gevaren heb (ik was toen al getrouwd en had kleine kinderen) was 80 meter lang en 1400 ton.

We hadden een prachtige woning erop, compleet met badkamer en loodsenkamer, waar de loods die (verplicht) mee moest als we door het Bingerloch gingen geheel zijn eigen privé had. Ook het verblijf van de Loods had een eigen badkamer
Een keer hadden we een dronken loods aan boord en die wist niet wat varen was.

Zodoende lagen we op een gegeven moment dwars op stroom op de landtong die twee vaarwegen op die plaats splitsten.
Als schipperskind ging ik naar de diverse schipperscholen die wij onderweg tegenkwamen. Ik kreeg dan een map met huiswerk opdrachten mee.
Bij de volgende plaats werd mijn werk dan nagekeken.
Daar kreeg ik een cijfer en de volgende opdracht mee naar boord.

Later verhuurde mijn vader zich, mét zijn sleepboot (waar we toen op vaarden) bij diverse waterwerken, zoals de Deltawerken, het graven van het Amsterdam Rijnkanaal of bij het uitgraven van diverse havens.
De bakken, die elders gestort moesten worden, werden dan door vader versleept naar de bewuste stortplaats.
Doordat we daar soms voor enkele maanden of een halfjaar, soms nog wel wat langer verbleven, kon ik dan een poosje naar één en dezelfde school.
In die tijd had je nog het verschil tussen  April en Septemberscholen.
Soms was ik daardoor een half jaar verder dan de andere leerlingen met de leerstof, maar soms gebeurde het ook, dat ik een half jaar moest inhalen om weer op hetzelfde niveau te komen dan mijn klasgenoten. Dat was niet altijd even leuk.
Wél als ik op hen vooruitliep natuurlijk, want dan waren mijn klasgenoten jaloers op mij, maar als ik weer eens een half jaar in moest halen, baalde ik en vond er niets aan.
Toen ik in 1953 (ik was toen dertien jaar) weer eens 'achter' liep, had ik er genoeg van en ik vroeg aan mijn ouders of ik ermee mocht stoppen.
Schipperskinderen hadden in die tijd nog geen leerplicht en na lang aanhouden, kreeg ik mijn zin en hoefde ik niet meer naar school.

"Maar" zei vader, "we gaan niet op onze luie kont zitten.
Of je assisteert je moeder in het huishouden, óf je komt bij mij aan dek werken.
Mijn moeder helpen? Ik moest er niet aan denken.
Zo'n saai werk.....en bovendien, het huishoudelijke bedoeninkje van mijn moeder stelde maar weinig voor.
Alles aan boord was  klein en bekrompen.
Nee, ik had nog een zuster die anderhalf jaar ouder was dan ik, die zag daar wel brood in. Zo bleef er voor haar nog veel tijd over om te lezen en te borduren, wat haar grootste hobby was.

Ik mocht dus mijn vader aan dek gaan helpen en zó kreeg ik mijn eerste baantje en
werd ik stuurman(vrouw).
Daar beleefde ik  kostelijke avonturen en het was de mooiste tijd van mijn leven.
Mijn vader was niet alleen mijn baas (en geloof maar gerust dat hij, net als alle kapiteins kankeren kon als het verkeerd ging), maar hij was ook mijn beste maatje.
Ik kreeg maar liefst fl.25,00 beloning, vrije kost, kleding en bewoning en voelde mij de koning te rijk. Vaak verwende mijn vader mij met allerlei dingen waar ik van hield.

Ik schilderde graag in de weinige vrije tijd die ik had. (Het waren lange dagen) en de dure materialen die daarvoor nodig waren, kreeg ik altijd van hém.
Later heeft mijn vader voor moeder en de andere drie kinderen een ark gekocht die we meenamen naar de plaatsen waar we in de verhuur gingen.
Elk jaar, in de herfst vaarden we voor de bietencampagne.
Dat was het ene sleepschip na het andere slepen naar de suikerfabriek in Dinteloord.

De stuurmannen (jonge jongens in de regel) werden dan meestal bedacht met een fooi van de schipper. Omdat ik een jong meisje was die hetzelfde werk deed als de mannelijke stuurmannen, kreeg ik meestal hoge fooien en waren de jongens altijd een beetje jaloers op mij.
"Maar" zeiden ze, "Je verdient het ook want je doet er ook het werk naar".
Vele avonturen beleefde ik met mijn vader.

Zo zijn we ook in de nacht van de stormramp uitgevaren vanuit Dordrecht naar Zeeland om daar te gaan helpen.
Onderweg hebben we verschillende mensen kunnen redden, die in de bomen in de uiterwaarden hun heil hadden gezocht.
In Hansweert hebben we veel werk gedaan om daar mee te helpen mens en vee te redden van de verdrinkingsdood.
We zijn er gebleven om mee te helpen met het dichten van de dijken.
Maar dàt is weer een verhaal apart.
Ik zou nog veel kunnen vertellen over "MIJN straatbeeld uit mijn kinderjaren", maar dan zou dit verhaal te lang worden en dat wil ik julie niet aan doen.

Groetjes, Mieke B.
 

Bennie


De opdracht van de schrijversgroep was;
Een hond in huis.

Dat klopt niet als ik over onze hond wil schrijven, want onze hond woont niet ‘in huis’ maar op een motorboot. Dat is natuurlijk best wel bijzonder, maar ja……………..wij hebben dan ook wel een heel bijzondere hond.

Het is onze scheepshond Bennie. Een vuilnisbakkenrasje, maar met een Koninklijke uitstraling. Zo zet hij de hele bemanning van de “Notabene” naar zijn hand,( ehh poot ) en lopen wij: ‘schipper en echtgenote’, onze benen uit onze ……. om het King Bennie naar de zin te maken.

Als Bennie een brok wil of gewoon aandacht, ‘praat’ hij met de baas en Bennie s order is dan de baas zijn bevel.

Hij weet ‘voelt’ ook direct als ik aanstalten maak om het ontbijt klaar te maken en is er dan ‘als de kippen bij’ om te zien of er soms voor hem ook nog wat overschiet. Tja, Bennie weet ‘de goede dingen’ in het leven te waarderen en laat ons dan ook duidelijk merken waar een Koninklijke hond recht op heeft.

Dat  Bennie zich zo koninklijk en zelfvoldaan gedraagt, ligt eigenlijk aan zijn baasje die hem ‘letterlijk en figuurlijk’ op handen draagt, zoals de uitdrukking al weergeeft. Als Bennie aan de wal moet om zijn behoefte te doen, is dat niet altijd even eenvoudig.

Het Baasje spreidt dan zijn sterke armen en tilt hem (25 kilo) zonder problemen over de loopplank aan de wal.

Toen we vorige zomer op de werf lagen, moest hij zelfs via een lange ladder de hond naar beneden dragen.
Het baasje doet dat zonder brommen, want voor zijn maatje heeft hij alles over.

Dat is ook niet zo verwonderlijk, want lange tijd is Bennie zijn enige vriendje geweest  en gezamenlijk hebben zij de dagen die zij alleen doorbrachten, dragelijk gemaakt. Zo is er een grote vriendschap ontstaan.

Toen ik een aantal jaren geleden om de hoek kwam kijken en een jaar later met de baas trouwde, veranderde er wat voor Bennie.
Hij was nu niet meer “alleen” het vriendje van de baas, maar de baas had er zich een vriendinnetje bij gekozen.

Bennie moest iets van zijn alleenheerschappij prijsgeven en aanvaarden dat de aandacht van het baasje nu ook wel eens uitging naar zijn nieuwverworven vriendinnetje.
Die voelde zich ook erg tot Bennie aangetrokken, maar King Bennie kwam er niet onderuit dat baasje en vrouwtje wel  eens gezellig samen op de bank wilden zitten.

Tja, en wat doe je dan als Koninklijke hond?
Je springt gewoon op de bank, stopt je snuitje onder de oksels van het vrouwtje en duwt haar weg.
In het begin lukte hem dat nog ook, want samen hadden we wel plezier in het spelletje dat er werd gespeeld.
Maar ja, het kon natuurlijk niet zo doorgaan, anders had de baas beter géén vrouwtje  kunnen kiezen en haar wilde hij ook niet graag meer kwijt.
Dus Bennie moest leren dat er nu gedeeld moest worden en dat is gaandeweg ook wel gelukt, want, zoals het gezegde luidt, waarin de woorden voorkomen:
‘t Is de hand die je voedt etc.………., begreep Bennie al gauw dat het ook vaak MIJN hand was die hem voedt en nu zijn wij dus ook, de beste vriendjes en vormen we met elkaar een drie-eenheid.

Bennie is nog steeds een beetje jaloers hoor, maar, eerlijk gezegd………….dat is het vrouwtje ook wel eens, als ze op een gegeven moment de aandacht van de baas wil hebben en die niet krijgt omdat de baas met zijn, enigste echte vriend/in ( na mij dan, mag ik hopen?) aan het robbedoezen en het spelen is.

Mieke Batenburg  21 mei 2009

Bennie, onze scheepshond
Het Dilemma

Het dilemma.

   De hartlong- machine had nu al drie weken de functie van zijn kleine hartje overgenomen en het levensgevaar was nog steeds niet geweken. Daarvoor was een opening in zijn kleine keeltje gemaakt, waardoor de slang van de hart-longmachine naar binnen ging. Zijn kleine, gebroken beentjes hingen in een stellage omhoog en op de hieltjes was een wond ontstaan door de druk van het gipsverband. De vooruitzichten waren somber, om maar niet te zeggen dat er geen vooruitzichten meer waren. De geneesheren hadden de moed opgegeven op een zelfstandig kloppen van dat kleine hartje dat nu al drie weken vervangen werd door de hart-longmachine.
Dat kon zo niet blijven voortduren was de conclusie van de geneesheren en zij spraken al voorzichtig over het stopzetten van de apparatuur. ‘Klinisch dood’ noemden de heren geneesheren de situatie waarin het kind zich bevond.

Zij  stond voor een dilemma! Zou ze daarmee instemmen om een verder lijden van het kind te voorkomen? Of zou zij BLIJVEN geloven in een wonder!

Zij wist het niet! Straks zou ze een gesprek met de heren professoren hebben en een besluit moeten nemen.
”Oh, wat is dat moeilijk”, verzuchtte zij verdrietig.


Ze dacht terug aan de dag dat het ongeluk gebeurde.
Nu precies drie weken geleden.
Hij was even onder de waakzame ogen van zijn moeder ontsnapt en de deur uitgelopen. Op het drukke kruispunt even verderop was hij tussen twee geparkeerde auto’s overgestoken en de automobilist had hem niet gezien. Hij werd geschept en op de motorkap zes meter meegesleurd, waarna hij  door de schok op straat werd geslingerd.
Daar werd hartmassage toegepast door een ziekenhuisbroeder die het ongeluk zag gebeuren toen hij voor het raam naar het drukke verkeer stond te kijken.

Dàt was in eerste instantie zijn redding geweest maar in het plaatselijke ziekenhuis, traden er wéér ademhalings problemen op en werd er besloten hem direct naar het Rotterdamse ziekenhuis te verplaatsen en hem aan te sluiten aan een hart/longmachine, die de problemen rond de ademhaling moest opvangen.

Met loeiende sirene en onder begeleiding van de politie die het verkeer moest regelen, werd de rit aangevangen, vanuit Dordrecht naar Rotterdam.

Ze kon niet bij haar kind zijn. Er moesten de nodige hulpverleners mee en de moeder werd een plaatsje toebedeeld in de volgauto van de politie.

Angst, angst en nog eens angst gierden door haar keel in die helse rit. Zij wist immers niet of haar kind het zal redden??

De artsen hadden de diagnose ‘Zwaar hersenletsel’ geconstateerd. Machteloos voelde zij zich.  Dit kón toch niet waar zijn? Hààr kind…die daar zo hulpeloos in de ambulance lag en samen met het verplegend personeel vócht voor zijn leventje.


 In het ziekenhuis werd hij direct naar de Intensive Care afdeling gebracht. Zij mocht niet mee en wachtte, wachtte en wachtte. Zó had zij de eerste twee dagen doorgebracht in de wachtkamer, wachtend op goed nieuws, dat maar niet kwam. Uiteindelijk werd zij door de zusters naar huis gestuurd. Ze had immers nóg een taak. Zij moest ook voor de andere kinderen uit het gezin zorgdragen. Hoewel deze niets te kort kwamen want hun oma zorgde voor hen. ‘Maar’, zo zeiden de zusters. ‘Een moeder hoort bij haar kinderen te zijn. U kunt hier niets doen. Zijn leventje is in Gods handen’

Sindsdien komt ze dagelijks naar het ziekenhuis en gaat zij ’s avonds met lood in de schoenen naar huis om de andere dag weer met angst in haar hart haar kind op te zoeken.
Hoe lang nog?

  En nu........., nu is zij op weg naar het ziekenhuis en staat zij voor die vreselijk moeilijke beslissing.
Een beslissing die zij ALLEEN zou moeten nemen want haar echtgenoot had haar een jaar geleden verlaten voor een jongere vrouw.

Op de Binnenweg Zuid in Rotterdam stapte ze uit de tram en liep snel in de richting van het Dijkzigt Ziekenhuis. Wàt zou ze aantreffen? Elke dag was dat de vraag die haar bezighield. Zou hij er nog zijn? Zou hij nog leven?

  Zijn leventje hing aan een zijden draadje en ze was bang, zó bang!! Al drie weken nu, ging ze met angst in haar hart naar hem toe. Gelukkig, ze was er.

  Snel liep ze naar de zaal en ging stil bij zijn bedje zitten.
Ze keek naar hem. Zó stilletjes lag hij daar!
Zijn kleine beentjes in de stellage, boven zijn bedje.
Niets, maar dan ook niets bewoog aan hem.
Zelfs zijn oogleden, bleek in het stille gezichtje niet.

Zo zat zij daar en al wat er de laatste tijd was gepasseerd ging door haar geest.

De zuster kwam langs en vroeg of zij haar misschien een boterham en een kopje koffie aan mocht bieden.

Zij kénde het verdriet van deze vrouw en ze zou haar zo graag willen troosten. Maar hoe???

Ook zij voelde zich machteloos. Hoeveel leed had zij al niet gezien op deze afdeling. Maar nu, dat vechten om het leventje van dat kleine jochie en het leed van de moeder die het al zo moeilijk had omdat zij alléén stond voor de opvoeding van haar kinderen.

‘Gaat het een beetje?’ vroeg zij aan de vrouw. De vrouw knikte en zei ‘Hoe lang nog zuster. Wat moet ik nu doen. Zou hij nog wel beter kunnen worden? De doktoren willen dat ik nu een beslissing neem over het beëindigen van de behandeling. Zuster, wat moet ik toch doen. Ik hou zo van dat kleine manneke, maar wil hem ook niet meer zien lijden.’

De zuster legde een arm om haar schouder en moest haar het antwoord schuldig blijven.

  En dan……………. gebeurde het wonder. De doodstille oogleden van het kind bewogen!!!!!!!!

‘Zuster kijk’,  riep de moeder door het dolle heen.

Het eigen hartje van het kind probeerde het werk van de machine over te nemen.

 Snel werden  de geneesheren die hem behandelden opgeroepen.

Zij konden hun ogen niet geloven.
Immers zij hadden het kind al opgegeven en nu………

Kijk toch!! Hoe is dat nu mogelijk.

 De moeder huilde van blijdschap, maar de geneesheren probeerden haar geluk wat te temperen en zeiden
‘ Mevrouwtje, ik begrijp Uw vreugde. Maar vergeet niet. Dit kind heeft een ernstig hersenletsel opgelopen. De vraag is, hoe ontwikkeld zich dat als hij geneest? Wellicht zal zijn verstand een knauw hebben gekregen. Misschien ware het beter geweest, als dit niet was gebeurd’.

 Maar de moeder wist, dat nu alles zou goed komen. Blijkbaar gebeuren er toch nog wonderen en zij was er van overtuigd dat dit er één was.

De Heer had haar kind gespaard en zou ervoor zorgen dat óók dat andere goed zou komen. Dankbaar richtte zij haar gebed tot Hem die over alle dingen waakt en dankte Hem voor de redding van haar kind. Dàt was het belangrijkste. Hij zou léven!!!! En de rest zou óók goed komen.

Zij hoefde het Dilemma niet te nemen!!

 ==================================================

Epiloog: Acht maanden later mocht zij haar kind mee naar huis nemen. Vele, vele onderzoeken en operaties volgden nog en haar kind zou tot aan zijn volwassenheid de gevolgen van het ongeluk blijven dragen. 

De slang van het beademingstoestel in het strottenhoofd, had ervoor gezorgd dat er een littekenweefsel optrad en telkens wanneer de chirurgen de opening in het strottenhoofd wilden dichtmaken, dreigde het zich samen te trekken, waardoor verstikking dreigde en er wéér een opening moest worden gemaakt.
Toen hij volwassen werd kon de canule verwijderd worden.

Dilemma’s zouden er nog velen volgen.
Bijvoorbeeld toen hij op de Mytylschool zat omdat een andere school hem niet wilde hebben vanwege het gevaar dat de canule er uit zou gaan, dat weer direct levensgevaar zou kunnen opleveren en de strijd die zij moest voeren om haar kind tóch op een normale school mocht komen zodat hij zich als een normaal kind zou kunnen ontwikkelen en niet als een gehandicapte wilde behandeld worden.

 Schrijfster dezes mag zich nu gelukkig prijzen met een zoon, die midden in de maatschappij staat en geheel genezen is.

Over dilemma’s gesproken!!

 ©Mieke Batenburg

De Schat

Voor de kust van Isla Nublar, een afgelegen eiland nabij Costa Rica, ligt een onopvallend vissersschip voor anker. Althans, het laat zich aanzien alsof  de vissers hun netten hebben uitgezet en wachten tot er zoveel vis in de netten zit, dat ze binnengehaald kunnen worden.
De werkelijkheid ziet er echter anders uit.
Wàt gebeurt daar voor geheimzinnigs aan boord van die kotter?
Opmerkzame blikken van de opvarenden van voorbijgaande schepen, kunnen zo nu en dan een paar duikers omslachtig in het water af zien dalen naar de donkere diepten van de Indische  oceaan.
Wàt zoeken ze daar??
Sterker nog……. Wat zoek ik daar?
Want één van die duikers ben ikzelf.

Ik zal U vertellen hoe het allemaal is begonnen.
Het zal nu ongeveer een maand geleden zijn dat ik, terwijl ik rustig een boek zat te lezen, opgeschrikt werd door de deurbel. Verbaasd legde ik mijn boek neer. Ik verwachtte helemaal niemand. Groot was dan ook mijn verbazing toen ik plotseling een cameraploeg voor de deur zag staan en een welbekend persoon mij, met een stralende glimlach op zijn gezicht, een envelop overhandigde en mij vertelde dat ik de straatprijs had gewonnen. Er waren nog een aantal andere prijswinnaars maar ik was de gelukkige die zich ook nog eens mocht verheugen op de hoofdprijs, TWEE MILJOEN EURO.  Ik wist niet wat ik hóórde.

Twee miljoen!!

Hoeveel is dat wel niet in guldens, schoot het door mijn hoofd.
Hoe is het mogelijk!!
Méér dan vijfentwintig euro van de Staatsloterij had ik nog nóóit gewonnen.
Ik was totaal van mijn stuk gebracht toen Henny Huisman (ja, ja, dé Henny Huisman) mij, behalve de check van 2 miljoen, ook nog eens een grote bos bloemen overhandigde.

‘ Dank u, dank u wel’ stamelde ik. Henny lachte om mijn verbouwereerdheid en zei, ‘Wàt gaat U met zoveel  geld doen?’
Verdwaasd keek ik hem aan. ‘Ik weet het allemaal nog niet’ stamelde ik.  Ik was nog steeds niet bijgekomen van de schok ‘Maar één ding weet ik wél. Nu kan ik mijn droomwens in vervulling laten gaan’  Natuurlijk wilden ze weten, wàt dat voor een droomwens is.
‘ Ik heb er twee’ stamelde ik. ‘Maar de eerste kan nu verwezenlijkt worden.’

De camera zoemde op mij in. Zij verwachtten van mij een antwoord op Henny’s vraag. Ik was echter niet van plan om daar méér over te vertellen en maakte mij er van af met de opmerking dat ik daar nog niets over kon vertellen omdat het een groot geheim was.

Die nacht sliep ik weinig en de gedachten tolden door mijn hoofd. Ik had mij voorgenomen ooit nog eens te gaan zoeken naar de schat die zich, volgens mijn opa,  in het 300 jaar geleden vergane VOC-schip ‘De Hoop’ moest bevinden. ‘De Hoop’, was  bij een zware storm in het jaar 1802 voor de kust van Isla Nublar, een afgelegen eiland nabij de kust van Costa Rica gezonken. Het schip had, zo luidde het verhaal een lading goud aan boord toen het zonk.
Mijn opa, die zijn leven lang op zee gevaren had en de hele wereld had rondgezworven had daar zó vaak over vertelt. Hij  had het weer van zijn Opa gehoord, die ook zijn hele leven de zeeën had bevaren. Altijd, tijdens familiebijeenkomsten en verjaardagen vertelde opa het verhaal  van de gezonken schat en ik… ik luisterde altijd weer met rode oortjes en blosjes op mijn wangen.

Eens, ja eens zou ik gaan zoéken naar die schat, nam ik mij steeds voor en nu……….Jeetje, nu had ik het geld om een expeditie samen te stellen van betrouwbare mensen en af te reizen naar Isla Nublar.
Bij opa’s dood had hij de kaart aan zijn kleinkind nagelaten en vlak voor hij zijn ogen sloot had hij tegen mij gezegd, ‘Kind, als jij later groot bent, moet je proberen die schat te vinden. Doe er iets goeds mee, waar arme mensen ook van kunnen profiteren. Dat is altijd mijn wens geweest, maar ik heb nooit de kans gehad om de schat te gaan zoeken. Laat mijn wens, jouw wens zijn en probeer hem te realiseren. Beloof het me jongen, dan kan ik nu rustig mijn hoofd neerleggen en naar mijn Hemelse Vader gaan. Toe, beloof het me’. Zijn laatste woorden waren nauwelijks nog te verstaan en ik moest me over hem heenbuigen om er iets van op te vangen. ‘Goed opa, als het mogelijk is zal ik aan Uw wens voldoen’, snikte ik zachtjes aan zijn oor. Ik weet niet of hij mij nog heeft verstaan, maar kort daarna overleed hij.

Verdrietig om zijn heengaan had ik de kaart aanvaard. Opa’s wens was de mijne geworden .

**********************

Jaren waren inmiddels verstreken en nu, door de prijs uit de staatsloterij,  had ik de middelen die nodig zijn om zo’n grootscheepse expeditie op touw te zetten. Misschien, ja heel misschien vond ik de schat wel waar opa altijd over sprak.
Het avontuur lokte en ik ging op onderzoek uit.

                               

En nu sta ik dààr,  in mijn duikerspak, op het dek van ‘De Drie Gebroeders’, om voor de zoveelste keer naar beneden te gaan. Met de apparatuur aan boord hadden we een object gelokaliseerd op 1000 meter diepte. Het was ongeveer de plaats waar ‘de Hoop’ zou moeten liggen. Zouden we nu succes hebben?
Samen met Gerrit en Jan (twee vrienden die graag op mijn uitnodiging ingingen om méé te gaan) lieten we ons voorzichtig in het water zakken. Zou het deze keer lukken?
De eerste die wat zag was Gerrit.

BINGO!!!!!!.

Gerrit gebaarde naar de beide anderen en wees rechts onder hem. Vaag was er de vorm van een wrak te herkennen.
Toen we dichter bij kwamen zagen we iets dat leek op een scheepsbel boven het zand van de bodem uitsteken. We veegden  gejaagd met onze handen het zand en de schelpen weg, en …..Ja hoor, het was inderdaad een scheepsbel en we konden na enig wrijven, vaag de letters ‘D  Ho p’ herkennen.  Vreugde alom!!

We hadden hem gevonden………’De Hoop’. 

Veel was er vergaan van het schip, maar de spanten lagen nog als een opengevouwen bouwdoos, uitgespreid op de zeebodem.
Op regelmatige afstanden lagen kisten met koperen hoeken afgewerkt en het deksel van de kisten waren gesloten met een grote sleutel. Jan morrelde wat aan de sleutel van één van de kisten.
Met moeite ging het deksel open en toen……..Toen werden onze ogen zo groot als schoteltjes onder onze duikershelm.

GOUD, we zagen GOUD!!

Mooie langwerpige broodjes GOUD. We hapten naar adem van ingehouden spanning.
Dit léék onmogelijk!!
Wij hadden opa’s schat gevonden!!!
Ook in de andere kisten zaten goudstaven en er was ook nog een kist met prachtige, schitterende  juwelen. 
Met één klap waren we miljardair geworden en die dank zij de prijs uit de postcodeloterij.
Gert, Jan en ik namen ieder een staaf goud mee naar boven om aan onze maten, op de ‘Drie gebroeders’ te laten zien.
Dol van vreugde gebaarde ik dat we nu terug naar boven moesten gaan.
Het was genoeg geweest voor vandaag. We hadden ons doel bereikt.

Boven op de ‘Drie Gebroeders’, wachtten Ben en Karel gespannen op de terugkomst van hun drie vrienden. Ze hadden inmiddels een heerlijke visschotel klaargemaakt van de vis die zij deze dag hadden gevangen.
‘Kijk’, roept Ben. ‘Er wordt aan de kabel getrokken. Daar zul je ze hebben’. ‘Zouden ze iets gevonden hebben’ opperde Karel hoopvol’. ‘Ze zijn zo lang beneden gebleven’.
Boven gekomen ging er een gejuich op bij de vrienden toen we de goudstaven toonden die we hadden gevonden. 

Tijdens het verorberen van de heerlijke visschotel met rijst, vertelde ik wat we hadden aangetroffen. Met een glas rode wijn brachten we een toast uit op opa, die nooit serieus was genomen, maar die zoals nu bleek wel degelijk gelijk had gehad.
‘Morgen’ zei ik’. Morgen zullen we terug gaan naar het wrak en zullen we de schat gaan bergen.
Die nacht sliepen we allemaal als rozen en ik dacht aan de belofte die ik mijn opa had gedaan om met het geld dat we zouden krijgen voor al dat goud, iets te doen voor de arme mensen in de wereld. En ik droomde………Ik droomde van een eiland in de waddenzee……….

 De andere morgen vertelde ik mijn vrienden van mijn droom. ‘ Willen jullie meewerken om opa’s droom te verwezenlijken’ vroeg ik?
De vrienden waren enthousiast en zo gebeurde het dat we na drie weken bergen, terug voeren naar huis.
We kochten van de Staat der Nederlanden een nieuw Waddeneiland dat pas was ontdekt en bouwden er een mooi groot hotel op met een goede accommodatie.
Ook een klein schooltje, een paar huizen en winkels sierden binnen korte tijd het eiland.
Karel vestigde zijn eigen huisartsenpraktijk en Gerrits vrouw werd lerares in het schooltje. 

Jan diepte het haventje uit en maakte er een leuke jachthaven van en Ben bouwde een heuse scheepswerf waar, behalve zeilboten en jachten voor de toeristen een replica van ‘ De Hoop’ werd gebouwd.

Gerrit bouwde aan het strandje een uitbating, waar de toerist een zeilboot, jacht of waterfiets kon huren.
Ook gewone fietsen werden er te huur aangeboden. In de Zeester, zo heette de uitbating, kon men zich tegoed doen aan een heerlijke vismaaltijd met een lekker glaasje wijn. 

 Bij de VVV in Harlingen en andere steden in Nederland, maakten we reclame voor de vakantieaccommodatie.
Surfers wisten al spoedig ons ‘Goudeiland’ te vinden.
Ook de welgestelde gasten kwamen.
Logeerden in de luxe appartementen aan de voorzijde van Hotel ‘De Hoop’ en  brachten met hun rijkdom welvaart op het eiland en daarvoor in ruil genoten zij van de rust, de duinen, de vogels en de zee.

De andere helft van de kamers van hotel ‘De Hoop’ wordt nu gereserveerd voor gezinnen/alleenstaanden/ouderen en gehandicapten, die van een klein inkomen rond moeten zien te komen. Die zich nauwelijks iets kunnen permitteren en in deze dure tijd moeizaam het hoofd boven water kunnen houden.
Het was nog even een probleem om de mensen te vinden die voor zo’n heerlijke vakantie in aanmerking konden komen, maar ook dit werd opgelost want we kregen alle medewerking van de uitkeringsinstanties en van hen kregen we de benodigde adressen.

Iedere week selecteerden we zo een andere groep in een andere plaats of stad. Zo  kreeg ieder een kans om van het vakantieaanbod gebruik te maken.
De verrassing was groot, wanneer er bij hen een uitnodiging in de bus viel, om een week gratis in ons hotel te verblijven en gebruik te maken van alle faciliteiten die op het eiland aanwezig waren. 

Zo werd de wens van mijn opa en mij werkelijkheid. En dat is allemaal begonnen met het winnen van die twee miljoen van de postcode loterij.
Ik en mijn vrienden wonen nu gelukkig en tevreden op ons Goudeiland en door het toerisme hoop ik nog lang door te kunnen gaan met me in te zetten voor de armere mens in onze samenleving.

Nu gebeurt wat er eigenlijk àltijd zou moeten gebeuren. Door het grote geld dat de rijken op ons eiland besteden, kunnen ook andere mensen, die een beetje afleiding hard nodig hebben, maar het niet kunnen betalen, meeprofiteren.
Daarmee is dus ook mijn tweede wens in vervulling gegaan.

 Mieke Batenburg  

 

De Crash

Een kwartier geleden was het nog licht en kon men genieten van de ondergaande zon. Nu was het vrijwel donker, kwam het hemelwater met bakken uit de hemel en stond er niet alleen een harde wind, maar waren er ook regelmatig rukwinden. Boven op dat alles was de lucht vervuld van lichtflitsen en zware donderslagen.
Te midden van dit geweld reed de 23 jarige Linda in haar oude VW-kever (die een stuk ouder was) en zij probeerde op de weg te blijven. Ze was drijfnat, want eerst had de kap open gestaan, die ze bij het begin van de stortbui had gesloten, maar het oude ding lekte als een zeef. Ze had ook de lichten van de auto aangedaan, maar niemand die daar iets van zag.
Terwijl ze moeite had met haar auto om in deze onweersbui op de weg te blijven, liepen er tranen over haar wangen. Huilde ze van verdriet? Van angst? Of van blijdschap?
Opeens een vuurbal uit de hemel, meteen gevolgd door een enorme onweersklap. Linda schrok, raakte van de weg en kwam tegen een hek tot stilstand. Daarna werd het stil. Erg stil zelfs, want opeens was er ook geen onweer meer.Er was een tunnel van licht, waarin Linda zich bevond.

Zij was onderweg. Maar waar naar toe?
Wat was er toch gebeurd en hoe kwam ze hier terecht?
Ze wist het niet, maar zij  voelde een grote rust over zich komen. Bloemen zag ze en vlinders die vrolijk om haar heen fladderden.
 Zó vredig en blij, dààr wilde zij heen en ze voelde een grote rust over zich komen.

Aan het eind van de tunnel stónd iemand, die haar wenkte.

‘Kom maar Linda, kom maar.’
Droomde ze nu of was dat werkelijkheid? Linda wist het niet maar ze voelde dat het goed was.
‘Ja, ik kom’, zei ze zacht.
Zou ze dan eindelijk rust krijgen?


‘Wakker worden!! Toe nou kindje, word nou wakker!!.
Wij kunnen je niet laten gaan.’

Mevrouw Koremans veegde de zweetdruppeltjes van Linda’s voorhoofd en vouwde haar handen.
‘ O, Heer’ richtte zij haar smeekbede tot de Almachtige Vader. ’ Laat haar alstublieft nog even bij ons mogen blijven. Ze is nog zo jong en kan nog zoveel van haar leven maken’.
Linda’s moeder huilde bittere tranen, terwijl ze keek naar het bleke, stille gezicht van haar enigst kind.
Ze maakte zichzelf de ergste verwijten en voelde zich verantwoordelijk voor het ongeluk dat haar kind was overkomen.
Haar verwachtingen omtrent haar dochter waren te hoog gespannen geweest, besefte ze, vol zelfverwijt.

Ze dacht terug aan de tijd dat zijzelf nog een jong meisje was en ze ervan droomde  een succesvolle pianiste te worden. Ze studeerde hard aan het conservatorium in Den Haag en haar leraar voorspelde haar een grote carrière. Het zag er ook inderdaad naar uit dat Carina  Koremans op weg was naar een succesvolle toekomst. Ondanks het feit dat ze nog steeds studeerde had ze al verschillende optredens verzorgd en óók mocht ze de beroemde sopraan, Elsa Madriani  op de piano begeleiden tijdens de recitals die Elsa, op uitnodiging van het conservatoriumorkest in Nederland zou geven.
De toekomst zag er voor Carina zonnig uit.
Maar toen kreeg ze een reumatische aandoening, die maar niet over wilde gaan en zo kon Carina een succesvolle carri
è re  als concertpianiste wel vergeten.
Ze had daar veel verdriet over, maar ze nam zich voor om later haar kinderen de mogelijkheid te bieden om muziek te gaan studeren en wellicht kon zij dan, hetgeen voor haarzelf verloren was gegaan, overdragen aan haar kinderen. 

Carina trouwde met Simon, een lieve eenvoudige jongen die haar op de handen droeg en ze kregen één dochter, Linda.
Linda groeide voorspoedig op en had de liefde voor de muziek net als haar moeder in haar genen zitten.
Carina  motiveerde haar in haar muziekstudie en zag haar dromen in haar dochter verwezenlijkt.
Trots zag zij zichzelf al in de loge zitten, luisterend naar haar musicerende dochter die haar publiek mateloos wist te boeien.
Toen stierf, na een lang en pijnlijk ziekbed Linda’s vader.
De klap kwam hard aan.

Vooral Linda kon het verlies van haar vader moeilijk verwerken en toen één van haar studievriendinnen vroeg of Linda haar gezelschap wilde houden tijdens haar vakantie in Zuid-Amerika, was het Carina  die haar dochter zei, dat toch vooral te doen om even alle narigheid te vergeten.
Tijdens deze vakantie leerde Linda tijdens een excursie een leuke jongeman kennen. Hij heette Tom en Linda werd tot over haar oren verliefd op hem.
Deze verliefdheid bleef niet zonder gevolgen en eenmaal thuisgekomen, bleek Linda in verwachting te zijn. Tom wilde er niets van weten en betwijfelde zijn betrokkenheid bij de zwangerschap.
Bedroefd en ongelukkig onderbrak Linda haar vakantie en kwam huilend aan bij haar moeders huis waar Linda aan haar moeder haar zwangerschap opbiechtte.
 Carina ontstak in grote woede en ze verweet Linda haar carri
ère te grabbel te hebben gegooid. Het ene woord lokte het andere uit en tenslotte was Linda boos en ongelukkig in haar volkswagentje gestapt en weggereden.
Toen was het nog licht en de zon zakte langzaam naar de horizon. Maar ineens stak er wind op en de lichtflitsen van het onweer verlichtten de verduisterde hemel toen de kever tegen het hek aanklapte.

De politie was Carina komen waarschuwen en nu zat zij hier, aan het bed van haar kind en richtte haar gebed tot de Almachtige.

“Mamma, mama,” klonk een zacht stemmetje.
Carina richtte zich op en zag dat Linda haar vanaf het bed observeerde.
“ O God” stamelde ze, “dank, dank, dat U mijn kind heeft gespaard"

En tegen Linda, die haar bedroefd aankeek zei ze, “Huil niet kindje, samen zullen wij voor het kindje zorgen. Vergeef mij mijn egoïsme.
Sàmen zullen wij genieten van deze kleine, die ons leven weer opnieuw inhoud zal geven”
Door haar tranen heen glimlachte Linda naar haar moeder en viel daarna in een genezende slaap. 

Terwijl Carina opgelucht door het ontwaken van haar kind, haar handen vouwde en de Heer dankte, dacht ze:

“Nu kunnen we ons weer richten op een nieuwe toekomst kind, want er is er maar Eén die ons lot bepaalt en laten we dààr tevreden mee zijn”.

Mieke Batenburg 2003  

Liefde, gedrenkt in tranen

Anneke was amper achttien jaar toen zij hààr Geert ontmoette.
Hij was een knappe jongen met de body van een Griekse God en de charmes van een Spaanse Don Juan.

Stapel verliefd was ze op hem geworden. Keurig netjes was hij aan Vader en Moeder komen vragen of hij omgang met hun dochter mocht hebben en Anneke was dolgelukkig dat haar ouders daarmee instemden.
Met Geerts innemendheid waren haar ouders, net als Anneke, direct voor hem gewonnen.

Trots paradeerde zij aan Geerts arm door het dorp, waar de dorpsmeisjes jaloers naar haar keken en hun bewondering voor Geert niet onder stoelen of banken staken. Anneke zàt daar niet mee en dacht: ‘Jullie kunnen kijken wat jullie willen, maar hij is toch van mij en dààr komt niemand tussen’.
Hóe ze zich daarin vergiste, bleek pas veel later.

Haar ouders zagen alles eens ààn en besloten bij nader inzicht, zónder de reden daarvan aan hun dochter mede te delen, de omgang met Geert te verbieden. Anneke begreep het niet en smeekte haar ouders om hun verbod op te heffen.  Zij waren zo gelukkig samen.
Hóe konden Vader en Moeder nu toch hun eerder gegeven toestemming intrekken?
Anneke vond het besluit van haar ouders zó oneerlijk dat zij gewoon de deur uitglipte en hààr Geert toch regelmatig bleef ontmoeten.

Maar op een ongelukkig moment kwamen Annekes ouders te weten dat hun dochter nog altijd omgang had met haar geliefde en vanaf dat moment ging de deur van Annekes kamer op slot en mocht ze alleen nog maar naar buiten wanneer dat voor haar werk noodzakelijk was.
Bittere tranen huilde zij en na de zoveelste keer dat zij van huis ontsnapte, besloten Anneke en Geert het ‘recht in eigen hand’ te nemen en ervoor te zullen zorgen dat Vader en Moeder hun toestemming wel móesten geven.
Ze trouwden en Geert werd stuurman op het schip van een goede vriend van hem die vaarde op de route Antwerpen, via Zeeland naar Duitsland, t.m. Bazel, Zwitserland.

Zes maanden later werd hun eerste kindje geboren.
Een meisje!! Anderhalf jaar daarna volgde er nog een kindje.
Een jongetje deze keer. ‘Een koningstel’, zo lachte Geert blij.
Anneke was in die eerste jaren een gelukkig mens. Maar toen de derde baby zich aankondigde werd Geert wat ongeduriger. Hij voelde zich in zijn vrijheid beknot en de drukte van het gezin begon hem tegen te staan. ‘Bovendien,’ zo zei hij, ‘word jij er óók niet aantrekkelijker op met je dikke buik’.
Het gebeurde steeds vaker dat Geert ’s avonds nog even ‘aan de wal’ moest en omdat Geert nog steeds niets van zijn charmes had ingeboet, hoefde hij nooit te klagen over de bewondering van het vrouwelijk schoon.
Anneke maakte zich niet ongerust en dacht, ‘ach, als de baby is geboren komt het wel weer goed’. En ‘hij kan er ook niets aan doen dat de vrouwen zo achter hem aanlopen’.

Zo verstreek de tijd en Anneke liep in haar vijfde maand toen het voor de eerste keer gebeurde dat Geert ’s nachts niet terug aan boord kwam.
Later zou dat vaker gebeuren en er kwam een dag dat een vriendin haar kwam vertellen dat zij Geert, samen met een mooie jonge vrouw een hotel in Dusseldorpf had zien binnengaan.

Natuurlijk ontkende Geert deze beschuldiging. Maar een verklaring geven waar hij wél was geweest, kon hij niet. Hoe Anneke ook haar best deed, zij kon het gevoel van wantrouwen en onmacht dat haar bekroop, niet van zich afzetten.
Zouden Vader en Moeder dan tóch gelijk krijgen en was de vermeende ontrouw van Geert de reden geweest dat zij hun dochter de omgang met Geert hadden verboden?? 

Anneke was te trots om daarin haar ouders gelijk te geven en zij  nam zich voor zo veel mogelijk haar best te doen,  hun huwelijksperikelen voor de buitenwereld, en zeker voor haar ouders, te verbergen.
Zeven maanden was ze nu in verwachting en het schip, waar Anneke, haar man en de kinderen op vaarden, lag in de Rotterdamse Maashaven te wachten op nieuwe vracht.

Anneke was aan de wal gegaan om nog wat spulletjes voor de nieuwe baby te kopen. Geert had haar verteld dat daar nog tijd genoeg voor was en dat zij voorlopig toch nog niet aan de beurt zouden zijn om te laden. De kinderen bleven aan boord, zodat Anneke haar handen vrij had om te gaan en staan zoals zij wilde.

Ze was Geert dankbaar voor zijn begrip en opgewekt was ze op stap gegaan. Het gebeurde niet zó vaak dat zij kon gaan winkelen en zoals iedere vrouw vond ze het prettig om wat in de winkels rond te neuzen en te kijken of er nog iets van haar gading te vinden was. Ze wilde Geert verrassen  en een mooie japon kopen zodat hij weer een beetje trots op haar kon zijn en zijzelf haar gevoel van zelfvertrouwen weer wat kon opvijzelen.

In een modezaak kocht zij een leuke, lichtblauw gekleurde wijde jurk die haar vormen moest verdoezelen. Na een bezoek aan de kapper en de schoonheidsspecialiste, kocht zij nog een speeltje voor de kinderen en een doos sigaren en een borreltje voor haar man.

Moe, maar voldaan aanvaarde zij de terugweg naar de haven waar hun schip lag afgemeerd. Maar wat was dat nu……… Waar was hun schip????

Verbluft stond Anneke op de plaats waar zij ’s morgens hun schip had achtergelaten. Daar lag nu een coaster afgemeerd. ‘Hij moest zeker verhalen’, dacht zij. ‘De coaster zou op die plaats wellicht moeten laden of lossen.’
Ze besloot de havenmeester op te zoeken, want die zou haar beslist kunnen vertellen waar het schip gebleven was. 
De havenmeester keek verbaasd op bij haar vraag waar het schip was!
‘ Maar, wéét U dat dan niet?’ vroeg hij, het schip is een paar uur geleden afgevaren naar Duitsland, mét vracht’!!!!

Nadat ze wat bekomen was van de schrik, besloot ze haar schoonouders te bellen en te vragen of zij wisten wat er aan de hand was.
Met trillende vingers draaide zij het telefoonnummer en de stem van haar schoonvader meldde zich.

Zijn stem klonk boos toen hij tegen haar zei: ‘Hoe is het mogelijk dat jij je kinderen zomaar in de steek laat? Heb je dan helemààl geen eergevoel?’ 
Het bleek dat Geert zijn ouders had verteld, dat Anneke hem had verlaten en omdat de lading was vervroegd, kon hij onmogelijk voor de kinderen zorgen, zo zei hij, dus had hij hen naar een tehuis gebracht. Hóe Anneke ook probeerde haar schoonouders uit te leggen, dat Geert de waarheid niet had verteld……. het hielp niets en zij waren óók niet bereid om te vertellen naar wélk tehuis in Rotterdam de kinderen waren gebracht .

Verdrietig en totaal van streek dwaalde Anneke door de grote stad Rotterdam. ‘O, God, hoe heeft dit nu toch kunnen gebeuren?’ vroeg zij zich verdrietig af. De mensen om haar heen keken verbaasd naar haar.
Ze merkte het niet! Ze liep maar door, zonder te weten waarheen.
Verwaarloosd en vuil van het straatstof en de tranen die voortdurend over haar gezicht stroomden.
‘O, Heer’ bad zij. ‘Help me alstublieft! Waar moet ik heen en wààr zijn mijn kinderen? Ik heb niemand meer, waar ik heen kan gaan!’

Een groot gevoel van onmacht overviel haar. Ze wist niet waar ze moest zoeken en geld had ze bijna niet meer. Doelloos liep ze verder en kwam uiteindelijk in de Maastunnel terecht.
Dààr werd zij opgemerkt door een agent die het maar vreemd vond dat daar, (het was inmiddels nacht geworden) zo’n jong zwanger vrouwtje doelloos rondliep.
Zou ze dronken zijn? Of misschien stoned? ‘ Je weet maar nooit tegenwoordig’ dacht hij.
‘Kom maar eens even met mij mee”, zei hij vriendelijk ‘en vertel eens hoe het komt dat je hier zo eenzaam rondloopt?’
Hij pakte haar bij de arm en vervolgde ‘Het is in een stad als Rotterdam niet veilig om nog zo laat op straat te zijn’.

Gewillig liet ze zich door hem meevoeren.
Ze wist het niet meer wat te doen.
Snikkend vertelde zij hem haar relaas.
Medelijdend legde de agent een arm om haar schouder en zei ’wacht maar even. Ik roep even een collega op, dan zullen we zien wat we voor U kunnen doen. We zullen zorgen dat U eerst een poosje gaat slapen en dan gaan we morgen op zoek naar Uw kinderen’. Verward keek ze hem aan en zei, ‘maar ik wil helemaal niet slapen….ik wil mijn kinderen!!’
De vriendelijke agent wist  haar te overtuigen dat zij zó niet kon aankloppen bij de kindertehuizen en dat ze eerst wat tot rust moest komen en zich wat moest opknappen.

Anneke sliep die nacht ondanks alles een rustige slaap in het bed dat de vriendelijke agent voor haar had laten klaarzetten in zijn kantoor en de volgende morgen kwam dezelfde agent haar vertellen dat hij inmiddels had ontdekt, dat de kinderen waren ondergebracht in een particulier kindertehuis.
Nà het ontbijt werd zij in zijn dienstauto naar het tehuis gebracht, maar daar aangekomen wachtte haar een nieuwe ontgoocheling.
De directrice was, onder géén beding bereid de kinderen mee te geven..
Ook niet nadat Anneke had aangeboden de gemaakte kosten te vergoeden.
‘Er zou heus wel een réden zijn waarom een zo nette man als Geert, zijn kinderen naar het tehuis heeft gebracht’, zeiden zij.
Anneke wist zich machteloos en vanaf dat moment moest er gestreden worden voor haar kinderen.

================================================================

Geert had inmiddels in Duitsland zijn bestemming gevonden. Hij bleef daar bij de vrouw waarbij hij een kind verwachtte en de kinderen in het kinderhuis in Rotterdam wachtten vergeefs op hun vader. Bijdragen in de kosten was iets dat hij gemakshalve  maar was vergeten.

Anneke ging regelmatig bij de kinderen op bezoek en bouwde zich een nieuwe toekomst, waarin het mogelijk zou zijn zélf de zorg voor haar kinderen op zich te nemen. Zowel op financieel gebied als wat de huisvesting betreft.
Vaak, overviel haar de angst dat zij niet in staat zou zijn om haar kinderen vrij te krijgen.

Zes maanden waren er inmiddels verstreken en de baby was al geboren, toen de rechter de uitspraak deed, dat Anneke haar kinderen mocht komen ophalen.
Tóen was het feest en de directrice van het kinderhuis had er achteraf spijt van, dat zij op die bewuste dag de kinderen niet aan haar had meegegeven.
Anneke en de kinderen bouwden aan een nieuwe toekomst, zónder verdriet en bedrog, waarin de ouders van Anneke een grote rol speelden. Zij konden hun kind toch niet laten verkommeren?? Oók al was ze zo eigenwijs geweest om toch, ondanks hun verbod met Geert te trouwen.

Het was een levensles die van Anneke een zelfstandig en waardevol mens maakte en een goede moeder voor haar kinderen.
Ze was er van overtuigd dat de tijd àlle wonden zou helen, óók de wonden die haar ziel zózeer hadden verwond. 
Want, zo wist zij, ééns zou de zon weer schijnen, voor hààr en de kinderen.

Mieke Batenburg

Ik zou willen………….

Ik zou willen dat ik een cruiseschip ben.
Zo’n droomschip, dat vaart op de wereldzeeën.
Zoals ‘The Love Boat'
Ik heb een mooi rank figuur, zeggen ze.
Een beeldig slank koppie, imposante romp en een kontje om ‘Ú’ tegen te zeggen.
Daar zou een rechtgeaarde zeeman verliefd op worden.
Mijn ranke boezem klieft door het water en ik geniet…………..
Geniet van alles wat het leven mij te bieden heeft. Er is geen mooiere manier van leven, dan op het water. Daar bof ik maar bij!
Ik beleef heel veel avonturen en als ik weer in mijn thuishaven kom, heb ik heel wat te vertellen aan mijn vrienden: De windjammers, de kotters, de tjalken en al dat kleine grut dat daar in die havens hun tijd liggen te verdoen. Nee,……….dan ziet mijn leven er wel anders uit.

Ik kom van alles tegen. De dolfijnen springen voor mijn boeg uit en de meeuwen zijn mijn beste vriendjes. Als ik nog verder op zee kom, is daar de Albatros, die mij volgt. Zo ben ik nooit alleen. Dat ben ik trouwens toch niet hoor, want ik heb een heleboel personeel die mij verzorgt. De bootsman die zorgt dat de matrozen mijn huid en haar goed verzorgen. Elke dag wordt mijn dek geboend, mijn vlag gehesen en gestreken en mijn koperen patrijspoorten gepoetst. Dan blink ik weer als een spiegeltje.

De matrozen werken hard en worden door de bootsman met de karwats opgejaagd. Ik heb wel eens medelijden met hen, want behalve dat ik moet varen, heb ik toch maar een lekker lui luizenleventje.
Uiteindelijk is het de machinist die zorgt dat mijn motor blijft draaien en ook wordt ik in de diverse havens die we aanleggen, regelmatig van vers drinken voorzien. De Kapitein en de stuurlui bepalen mijn koers en alles wat ik heb te doen is………varen.

Dan is er ook nog de kok. Tja, die zorgt dan wel niet voor MIJN eten, maar wél voor mijn welbevinden, want hij zorgt voor de gasten die ik vervoer op mijn schip. (En wat voor gasten) Hij verwent ze aan alle kanten en ze hebben het best naar hun zin zo. Met een heerlijk briesje is het lekker luieren op de ligstoelen in hun bikini’s of ander luchtig spul, nadat ze een heerlijke duik hebben genomen in mijn zwembad.

Ze moesten eens weten hoe ze door mij bespied worden.
Nu kan ik, ongemerkt de kat eens lekker uit de boom kijken.
Leve het zeemansleven! Ha,ha,haa!
In mijn simpele bootsgeest, zou ik heel graag die mooie dames aan boord willen verleiden. ’s Avonds, als het donker is, hebben ze de prachtigste gewaden aan en de heren zijn allemaal in smoking en er is muziek.
Het is feest en een lust voor mijn oog (Mijn ankergaten houden alles in de gaten)

Zo droom ik op die lange, lange reis.
Mijn dromen maken dat de lange cruise rond de wereld niet eentonig wordt. Mijn dekken worden geteerd en daar ligt heel wat vrouwelijk schoon waar ik mijn ogen op uit kijk. Het is maar goed dat de kapitein het roer stevig in handen houdt, want anders zou ik niet weten wat er allemaal zou kunnen gebeuren. Ik ben af en toe gewoon de kluts kwijt. Dan rolt mijn zweet door de spuigaten er weer uit. Tjonge, jonge, das genieten zeg!

Ondertussen kom ik in de grootste en bekendste wereldhavens. Mijn aankomst wordt met feestelijk geluid van de scheepsfluit aangekondigd en de mensen staan mij al op te wachten aan de kade. Zij vinden het een eer om mijn trossen op te mogen vangen en om de bolders te doen.
In die havens blijven we dan soms een paar dagen liggen.
Dan kan ik even uitrusten en bijkomen van alle emoties die ik heb bekomen.

Ja, ik heb het goed getroffen!!
Ik ben blij dat ik een cruiseschip mag zijn!!


======Mieke Batenburg van den Tol======





Net genoeg om van te leven.

 

“Hé, Marga, Ik ben blij je nog even te treffen voor je naar huis gaat. Ik wilde je wat vragen”.

 

Marga stond juist op het punt om haar jas aan te trekken en keek verbaasd op.
Vóór haar stond haar collega Isabel.
Samen werkten zij in het restaurant annex zalencomplex ‘The American’ in hun woonplaats.

Om vier uur ’s middags begon Marga’s taak als hulp in het restaurant en hielp zij ook bij de garderobe waar het een komen en gaan was van bezoekers van het restaurant en de zalen waar film, muziek of toneel uitvoeringen werden verzorgd.
Het was Marga’s taak om de kleedkamers voor en na de optredens te reinigen en te helpen bij de jassen.


Eens in de veertien dagen had zij zondagsdienst.

Dan moest zij om tien uur ’s morgens al aanwezig zijn om de twaalf toiletten in het restaurant en de toiletten in de kleedkamers van het zalencomplex in orde te maken voor de nieuwe stroom bezoekers.
Het was een fijne baan onder het personeel en er was een goede sfeer onder elkaar.

 

“Hallo Isabel, wat wilde je vragen?”

Intussen pakte Marga haar jas en handschoenen en verheugde zich al op het thuiskomen waar haar kinderen ongetwijfeld met smart op haar zaten te wachten. Na het overlijden van haar man, waren het sleutelkinderen geworden, want iemand moest toch de kost verdienen voor zichzelf en de kinderen.

 

“Ja, zie je Marga, ik durf het haast niet te vragen, maar zondag is mijn broer van plan om ons even gedag te komen zeggen, voordat hij en zijn gezin weer naar Australië vertrekken. Het is al zo lang geleden dat ik hem heb ontmoet en hij had, met al zijn verplichtingen hier, niet eerder tijd om te komen.

Maar ik heb zondagsdienst en nu wil ik aan jou vragen of jij me kunt helpen en mijn dienst over zou willen nemen”.

 

Marga fronste haar wenkbrauwen en dacht na.
De zondagsdiensten werden altijd goed betaald en zij kon het extra geld heel goed gebruiken.
Kinderen kosten nu eenmaal veel geld in onderhoud en scholing en ondanks dat Marga moeite had om het hoofd boven water te houden, wilde zij dat aan haar kinderen zo min mogelijk laten blijken. Dus werkte ze hard en behalve haar werk in The  Amercain deed ze er ook nog een aantal werkhuisjes bij in de ochtenduren.
Ze was moe en had zich al verheugd op een rustig weekend, samen met haar kinderen.
Máár, een extra dienst brengt geld in het laatje dus zei ze;

 

”OK Isabel, ik zal je helpen. Onder voorwaarde dat je, wanneer ik zelf eens omhoog zou zitten, jij mij helpt”.

 

“Tuurlijk joh, Goh wat ben ik blij.
Nu kan ik toch nog even afscheid nemen van mijn broer”.

Blij huppelde Isabel de zaak uit en Marga pakte haar spullen bij elkaar en toog huiswaarts.

Daar wachten de kinderen haar al ongeduldig op.
”Hai ma, wat eten we vandaag?”

 

 Op het menu stond zelfgemaakte appelmoes en als vlees dikke schijven gebakken boterhamworst. De plakken waren zo breed dat ze gemakkelijk in tweeën gedeeld konden worden en zo toverde Marga toch elke dag iets van vlees op tafel. Van een blikje cornedbeef, gemengd met kleingesneden ui en havermout  kon er ook een goedkoop stukje vlees op tafel worden getoverd

Ja, met weinig geld valt er best nog wel een smakelijke maaltijd op tafel te toveren en de kinderen waren er dol op.

 

Karin, haar dochter, was tevreden en vroeg;
 “Duurt het nog lang”
Ze keek haar moeder hoopvol aan in afwachting van haar antwoordt.
Ze had  een afspraak met haar vriendin om de rolverdeling te bespreken van het toneelstuk waar zij mee bezig waren.
Karin wilde de rol van schoonheidskoningin, maar de kostuums moesten ze zelf zorgen.

"Dat is weer een extra taak voor mij", dacht Marga.
 Geld om een kant en klaar kostuum te kopen, zat er niet in.


Marga zuchtte eens. Soms was het leven toch maar moeilijk. Buiten de zorg om haar kinderen en haar wens om het voor hen zo gemakkelijk mogelijk te maken, viel er voor haarzelf maar weinig meer over om van te genieten.

 

Tijd voor een uitstapje had ze niet omdat ze altijd in haar vrije tijd achter de naaimachine zat om te zorgen dat haar kinderen er fatsoenlijk bij liepen.


De spijkerbroeken, bloesje en jassen maakte ze allemaal zelf en als ze de kans kreeg, tornde ze, met toestemming van  haar familie en de weinige kennissen die zij had, de merkjes van hun oude spijkerbroeken die in de lorrenmand gingen, zodat het net leek of de kinderen met dure merk jeans liepen en zij niet het gevoel hadden, onder te doen voor de anderen.


Nu dus ook nog eens die extra zondagsdienst erbij en volgende week zou Jurgen, haar zoon jarig zijn.

Dan werd er verwacht dat hij voor zijn achtste verjaardag op school trakteerde en zoals de meeste kinderen, met hele repen chocolade of ander snoepgoed, soms zelfs met voor ieder een zakje rondgingen, maar dat was voor Marga’s gezin veel te duur en kon de grauwe het niet trekken. Met de beste wil van de wereld niet.  

 

Marga piekerde en besloot dat ze deze keer oliebollen zou bakken. Er gaan een hoop oliebollen uit een pond bloem en misschien vonden de kinderen dat nog lekker ook.
Het was weer eens iets anders. "Het was pas eind september", redeneerde Marga. Maar wat maakte dat nu uit?

 

Waarom zou je alleen op oudejaar oliebollen kunnen eten.

Het is in ieder geval wat anders dan de traditionele lolly of reep chocolade en je kunt voelen dat je wat in je handen heb.

Toen de maaltijd gereed was en de kinderen het zich goed lieten smaken, bedacht Marga dat alles zich wel weer zou regelen en tevreden met die gedachte legde zij haar benen omhoog en viel binnen de kortste keren vermoeid in slaap.

Morgen, ja morgen was er weer een nieuwe dag die zij vol vertrouwen tegemoet zag

======Mieke Batenburg van den Tol========

De ondergang van de 'Op hoop van Zegen'.

 

Het was in de herfst van  het jaar 1915.
De Op Hoop van Zegen, een zeilschip van 200 ton, vertrok, geladen met suikerbieten, vanuit Dinteloord in de richting van Rotterdam.

Aan boord bevonden zich schipper Dirk, zijn mooie jonge vrouw Marieke, die hoogzwanger was van een tweeling, en zijn kinderen Gieltje van vier, Adrieke van twee en Adriana van één jaar.

Ook was er een echtpaar aan boord, waarvan de vrouw, nicht Jaantje, zou helpen bij de bevalling, en haar man Adriaan de taken aan dek moest overnemen van Marieke.

Schipper Dirk was dol op zijn jonge vrouw, die hij zeven jaar eerder had ontmoet toen hij met zijn broer Marinus de plaatselijke kermis bezocht.

Dat was in die tijd eigenlijk het enige vermaak in het Brabantse dorp Sleeuwijk, waar Dirk geboren en getogen was en dat de thuishaven was van de schippersfamilie die al vele generaties de kost verdiende op de vaderlandse binnenwateren.

Op de kermis had Dirk de knappe Marieke, die later zijn vrouw zou worden, opgemerkt. Hij had geprobeerd met haar in contact te komen, zij was steeds in gezelschap geweest van een ander meisje, waarvan hij dacht dat het een vriendin was. Later bleek het andere meisje, Mina, een zus van Marieke te zijn.

Met zijn broer Marinus maakte Dirk de afspraak dat hij Mina moest meenemen in de draaimolen en zo gebeurde het dat de jonge schipper alleen achterbleef met Marieke!  En op dat moment sloeg de vonk der liefde bij beiden over.


Er moest gespaard worden voor de uitzet en de hele familie hielp mee. De één had nog wel een kast over, de ander een bed of tafel, de derde wat linnengoed. Hierbij moet worden opgemerkt dat er toen nog niet zulke hoge eisen aan de uitzet werden gesteld als tegenwoordig.

Na een verlovingstijd van ruim twee jaar brak de grote dag aan en nam de schipper zijn jonge bruid mee aan boord.
De bruiloft was sober geweest, maar wel heel bijzonder, want op dezelfde dag trouwde Dirk's broer Marinus met Mina, de zus van Marieke.


Ja, het leven was goed voor hem, bedacht Dirk. Hij  keek uit over het wijde water en voelde zich een gelukkig en bevoorrecht mens. Hij had alles wat zijn hartje begeerde! En dan binnenkort ook nog gezinsuitbreiding! Wat zou hij nog meer te wensen hebben?


Het was een prachtige herfstdag en Dirk stond tevreden aan het roer terwijl deze gedachten door hem heen gingen.

Toen ze die ochtend de zeilen hesen was er geen vuiltje aan de lucht en het beloofde een rustige overtocht te worden. Een matig windje beroerde het spiegelende water van het Hollands Diep. Dirk had daarom besloten om de dekkleden niet over de lading suikerbieten te bevestigen.

Maar opeens werd hij bruut uit zijn gelukkige overpeinzingen opgeschrikt. Ongeveer ter hoogte van Lage Zwaluwe werd de strakblauwe lucht inktzwart. Het begon te regenen en er stak een flinke storm op. Dirk en zijn knecht probeerden alsnog de dekkleden aan te brengen, maar de wind was zo hevig dat er geen beginnen aan was.
Tot grote schrik van de bemanning begon het scheepje slagzij te maken. Er liep water het ruim binnen, waardoor het kapseisde en dreigde te zinken. Er brak grote paniek uit! Dirk gelastte dat iedereen in de roeiboot moest om het vege lijf te redden. Het schip zonk echter zo snel dat de  twee oudste kinderen niet meer aan dek konden komen. Het deurtje van het kleine roefje was niet meer open te krijgen.

De hoogzwangere Marieke en de kleine Adrieke werden in de roeiboot geholpen. Adriaan deed nogmaals een poging om de twee kleine kinderen uit de roef te bevrijden maar helaas, het was te laat!

Toen Dirk het touw wilde losmaken waarmee de roeiboot aan een bolder op het schip was vastgemaakt merkte hij dat het doornat was geworden en zó strak om de bolder zat dat het niet los was te krijgen.
Er voltrok zich een drama toen het schip, met roeiboot en inzittenden in de diepte verdween. Met man en muis zoals men dat in scheepvaarttermen noemt.
Dirk, die zelf niet kon zwemmen, zag zijn gezin voor zijn ogen verdrinken! Adrieke dreef iets verderop in het water. Met zijn laatste krachtsinspanningen lukte het Dirk het kleine jochie op een ronddrijvend luik te tillen. Dat was nog niet zo eenvoudig, want toen hij bij het kind kwam dreef het met het gezichtje en de beentjes naar beneden en gaf geen enkel teken van leven meer. Toch lukte het de wanhopige vader hem op het luik te hijsen!

Nicht Jaantje en neef Adriaan konden zich zwemmend redden. Zij hadden nog uitgekeken naar de andere opvarenden, maar alles was zó snel in z'n werk gegaan dat zij uiteindelijk de moed maar hadden opgegeven. Zij werden gered en aan boord genomen door de bemanning van een vissersschip. Ook Dirk en zijn kleine Adrieke werden gered door vissers die in de naaste omgeving voeren. Het broertje en zusje werden later gevonden toen het schip werd gelicht. Zij hingen met hun armpjes gehaakt aan de olielamp, waaraan zij zich in doodsangst hadden vastgeklampt.
Marieke werd opgedregd. Zij was door haar zwaarte gezonken.

Op Adrieke werd kunstmatige ademhaling toegepast. De reddingwerkers besloten na twee uur intense inspanning hun pogingen om het kind te redden te staken. Maar toen gaf het plotseling weer een teken van leven! De mannen zetten hun werk voort en zo overleefde Adrieke de ramp.

Schrijfster dezes heeft alle reden om daar dankbaar voor te zijn, want als dat niet zou zijn gebeurd... had zij het levenslicht nooit aanschouwd. Dit kind was namelijk... haar Vader!

Mijn Opa is nooit meer de oude geworden. Hij droeg het verlies met zich mee en heeft het altijd betreurd dat hij geen zakmes bij zich had, waarmee hij het touw van de roeiboot had kunnen lossnijden. Uiteindelijk is hij van verdriet gestorven.

Mijn Vader heeft wél zijn hele leven een zakmes met zich meegedragen, dát heeft de schipbreuk hem wel geleerd. Na Vaders dood heb ík dat mes gekregen. Ik gebruik het nu als schildersmes en het is mijn dierbaarste bezit.

Vader is verder opgegroeid in het gezin van Oom Marinus en tante Mina, de broer van Opa en de zuster van Opoe, totdat hij groot genoeg was om, samen met zijn vader, de zeilen te hijsen.

Jaren later voer hij met zijn dochter op de binnenwateren, wat heeft mogen voortduren tot aan haar trouwen.
Die dochter was ik en daarover zou nog veel te vertellen zijn!

Het was een bijzondere tijd, en ik ben mijn vader dankbaar voor alles wat hij mij heeft geleerd.

 

 

========Mieke Batenburg – van den Tol========

Schrijf een commentaar: (Klik hier)

123website.nl
Tekens over: 160
OK Verzenden.
Bekijk alle commentaren

Nieuwe commentaren

18.06 | 13:03

Marianne, ik kreeg van Ineke van den Tol, dochter van Cor van den Tol, een mailtje of ik jou haar emailadres door wilde geven. Dat is catvandentol@versatel.nl

...
18.06 | 12:01

Hallo Marianne,

Ik heb aan Ineke van den Tol een mailtje gestuurd om jouw bericht onder haar aandacht te brengen.

Ik wens je heel veel succes.

Groetjes,Mieke

...
14.06 | 13:50

Hoi Mieke, ik zoek familie van cor van den tol en zag dit toevallig op je pagina staan. Ik hoop dat ineke dit ook leest en contact op wil nemen. Mvg marianne

...
19.04 | 21:46

Hallo Mieke zijn wij familie, Ineke van den Tol dochter van Cor van den Tol.
Ken mijn familie nl jammer genoeg niet. Ik schilder ook. gr. ineke

...
Je vindt deze pagina leuk
Hallo!
Probeer uw eigen website te maken, net als ik! Het is makkelijk en u kunt het gratis proberen
ADVERTENTIE