Welkom op deze pagina
Pimmetje.

  Eéns woonde er in een land vér over de horizon een klein jongetje. Hij heette Pimmetje. Samen met zijn vader, moeder én zijn kleine zusje Pammetje woonde hij daar héél tevreden in een klein boerenstolpje aan de oever van een wijde rivier.
Nou ja, heel tevreden!!!!
Bijna tevreden dan!! 

Want Pimmetje kon uren lang aan de oever van de rivier zitten. Dan droomde hij van de zeelui die met schepen over de rivier naar de zee gingen en in verre landen avonturen beleefden. Pimmetje zou zo graag met die schepen meegaan. Maar ja, hij wist dat hij daar nu nog te klein voor was en dat hij om een grote jongen te worden “veel spek moest eten”, zoals vader altijd zei.
Maar als hij groot zou zijn!!!!
Nou, dan wist hij het wel. Dan wilde hij zeeman worden.
 

Vader bebouwde de akkers met granen, sla, andijvie, aardappels en nog véél meer. In de wei stonden koeien en in het varkenskot lagen varkens te rollen en te knorren in de modder, dat het een lieve lust was. Moeder zorgde voor het huishouden en zij kon de lekkerste pannenkoeken maken die je als kind maar wensen kon. 

Pammetje, het zusje van Pimmetje, mocht haar moeder soms wel eens helpen met het klaarmaken van het beslag voor de pannenkoeken.

Daar gingen dan de verse eieren in, die Pammetje ’s morgens geraapt had in het kippenhok.
Eéns gebeurde het, dat Pammetje de mand met eieren uit haar kleine handjes liet vallen omdat haar broertje tegen haar had gezegd dat zij in haar handjes moest klappen. Pammetje had gehoorzaam gedaan wat haar grote broer had gezegd en toen was de mand gevallen en waren bijna alle eieren kapot of gekneusd. Pammetjes mooie witte schortje was helemaal vies van de eierstruif en terwijl Pimmetje zich een bult stond te lachen om het onthutste gezichtje van zijn zusje, was zij huilend naar huis gerend en toen ze onder tranen aan haar moeder vertelde wat er was gebeurd, kreeg ze nog een standje ook omdat ze zó dom was geweest om zonder nadenken te doen wat haar oudere broertje haar opdroeg. 

Pimmetje ging vaak met zijn vader mee naar het land en soms mocht hij van zijn vader meehelpen om de bloemkolen te snijden, of aardappelen te rapen.
Maar het leukste was, wanneer hij door zijn moeder naar het aardbeienveld gestuurd werd om een mandje met aardbeien te plukken. De mooie rijpe zomerkoninkjes lachten hem van verre al toe en het leek wel of ze hem vroegen hen te plukken.
Pimmetje deed dat dan ook naar hartelust en menig aardbeitje verdween in zijn gulzig mondje, want; wàt is er nu heerlijker dan zo’n lekker sappig aardbeitje?
Zijn plukmandje had hij meestal al leeg gegeten vóór hij thuiskwam, waar zijn moeder ongeduldig op hem wachtte, om van de aardbeien jam te maken.
Ja, die Pimmetje was een echte ondeugd.
Zo kon hij soms de klompen van zijn vader aan elkaar binden. Dan lag hij op de uitkijk wanneer vader ’s morgens vroeg, nog maar net uitgeslapen zijn klompen aan wilde trekken. Als dat niet snel lukte werd vader boos en Pimmetje had de grootste lol. 

Op een keer had die kleine ondeugd een varken in het varkenskot aan zijn staart getrokken, Het varken ging liggen rollenbollen in de modder en Pimmetje, die niet op tijd los kon komen viel óók om in de modder.
Zijn broekje en hemdje waren helemaal doorweekt en hij stonk zó erg dat moeder, nadat ze hem een flink pak slaag had gegeven, in de badkuip had gestopt en er eens flink op los had geboend. Daarna had ze hem naar zijn zolderkamertje gestuurd, waar hij voorlopig maar moest blijven voor straf.
“Je moet maar eens leren, dat je niet zulke stoute dingen mag doen”, zei ze boos. “En het moet óók maar eens afgelopen zijn met steeds weer je kleine zusje plagen. Je blijft vandaag op je kamertje en je krijgt géén avondeten”.
Boos gooide moeder de deur op slot. 

Pimmetje zat verdrietig op de rand van zijn bedje en probeerde te bedenken wat hij nu moest doen.
Zo’n hele dag op zijn kamer blijven en dan ook nog zonder eten?? Waarom was moeder nou zo boos geworden?
Hij had toch alleen maar het varken een beetje willen plagen?
Zou zijn moeder nou echt denken dat hij hier de hele dag braaf bleef zitten?

Nee, dan liep hij net zo lief van huis weg en ging hij wel een andere, lievere moeder zoeken, die niét zo boos op hem was.
Hij zette een stoel bij het zolderraampje en klom voorzichtig op de stoel.
Deed het zolderraam open en klom op het dak.
Voorzichtig liet hij zich zakken langs de regenpijp en even later stond hij aan de achterkant van het huis in de tuin.
Gelukkig, niemand had hem gezien. Op een drafje liep hij naar de rivier en toen er een schip onder de brug doorvoer, sprong hij er op en verstopte zich tussen de lading.

“Zie zo, dat is gelukt”, dacht hij terwijl hij een rustig plaatsje zocht, “ik ga nooit meer naar huis. Ik ga de wijde wereld in en avonturen beleven. Dàt is eens wat anders dan die saaie boerderij aan de rivier”.
Pimmetje was helemaal koud en stijf geworden van het liggen op de meelzak.

Het was ook harder gaan waaien, maar dàt kon Pimmetje vanuit zijn schuilplaats niet zien. Wél voelen, want het schip maakte ruwe schommelende bewegingen. Zijn maag kwam  in opstand en hij bedacht dat hij beter naar het dek zou kunnen gaan om te zien of hij misschien iets te eten kon bemachtigen. Dan zou zijn maag wel weer rustig worden, dacht hij.
Met twee handen duwde hij tegen het luik, waarmee het ruim was afgesloten en klauterde naar boven.
“ Hé, wat doe jij hier”, bulderde een luide stem.
Geschrokken bleef Pimmetje staan en keek midden in het verwonderde gezicht van een ruwe zeebonk, die minstens net zo verbaasd was als onze kleine verstekeling.
‘Ik eh, ik heb zo’n honger’, stamelde Pimmetje.
‘Wàt honger, niks honger’ mopperde de man. ‘Kostgangers houden we er hier niet op na. Als je eten wil, zou je moeten werken’
En zo werd Pimmetje koksmaatje aan boord van de “Op hoop van zegen”, een coaster die op Engeland vaarde.
De storm, die al een paar dagen woedde, wilde maar niet gaan liggen. De zeilen bolden hevig en de golven sloegen wild over het schip.
Pimmetje was er helemaal niet gerust op. Eigenlijk zou hij nu  liever bij zijn vader, moeder en zijn kleine zusje zijn en had hij er spijt van dat hij zomaar van huis was weggelopen. 
Op een dag was hij, zich goed vasthoudend aan de reling, met een kroes koffie onderweg naar de schipper, die met zijn zuidwester over zijn oren getrokken, stevig het roer in bedwang hield. Toen gebeurde, waar Pimmetje al bang voor was geweest. Er rolde een grote golf, dwars over het schip en plotseling schreeuwde de schipper,’Pas op, de mast breekt!!! ONDERUIT!!

De ‘Op hoop van zegen’ maakte slagzij en begon plotseling te zinken. Pimmetje probeerde nog zolang mogelijk zich vast te houden aan de reling, maar toen moest hij loslaten, voordat hij mét het schip naar de diepte van de zee zou gaan.
Daarna wist Pimmetje niets meer.  

Hij wist niet dat er een school dolfijnen rond het schip zwom en dat één van de dolfijnen medelijden kreeg met dat arme ondeugende jongetje. Hij nam het ventje op zijn rug en bracht hem naar het domein van de zeekoningin. Die woonde in een mooi en groot paleis op de bodem van de zee. Door de vele ramen keek de koningin uit op een prachtig onderwater-landschap.
Bóven het paleis zweefden de zeesterren en zorgden ervoor dat het paleis sfeervol werd verlicht. De koningin wilde juist haar middagdutje gaan doen en was even gaan liggen op een bank die was gemaakt van een grote zeeoester. De binnenkant van de oester glom als parelmoer en aan de beide uiteinden van de bank, hielden de zeepaardjes de wacht, zodat de koningin rustig haar slaapje kon doen.

‘Hoogheid, er komt bezoek!!’.
Zo meldde de wacht en terwijl de dolfijn zijn beschermeling bij de koningin bracht, zei deze. ‘Je wéét toch Flipper dat er in onze onderwaterwereld geen mensenkinderen op bezoek mogen komen?’
‘Jawel Hoogheid’ antwoordde Flipper,’maar ik had zo’n medelijden met het jongetje en ik dacht dat U wel zou weten wat er verder met hem moet gebeuren’.
De koningin klapte in haar handen en er verschenen vanachter het zeewiergordijn twee zeemeerminnen.
Op dat moment opende Pimmetje zijn ogen en vroeg ’ Wat is er gebeurt, ben ik in de hemel?’
Toen de koningin hem vertelde dat de dolfijn hem had meegenomen naar de diepte van de zee, kon Pimmetje zijn oren haast niet geloven. ‘Hoe is het mogelijk’ dacht hij. ‘Dat moet ik thuis vertellen. Tjonge is me dàt een avontuur!!’ Hij bedankte de dolfijn voor zijn goedheid en dat hij hem naar dit mooie paleis had gebracht.

Pimmetje had nog nooit een echte zeemeermin gezien. Wél erover gehóórd en ze zagen er net zo uit als zijn moeder hem verteld had in een verhaaltje dat zij altijd vertelde, vóór het slapen gaan.
‘Felicia’ zo zei de vorstin, ‘haal eens even snel een schaal met zeevruchten, want onze kleine deugniet zal wel honger hebben’.

Felicia was een mooi gevormde vrouwelijke meermin, met prachtige blond golvende lokken, die over haar blote schouders reikten tot aan haar middel, waar haar vrouwenlichaam overging in een vissenlichaam. In haar blonde haren had zij een krans van zeeanemonen en zee-asters. De staart bezaaid met kleurige paarlemoerachtige schubben bewoog levendig en ze zwom snel weg om haar opdracht uit te voeren.

Aan de andere zeemeermin, die minstens nét zo mooi was dan Felicia, maar dan met gitzwart lang haar, zei de koningin:
‘En jij Bernadette, moet voor Pimmetje de kamer van Prins Eduard in gereedheid brengen, zodat hij straks na het eten fijn kan uitrusten’. Bernadette en Flipper de dolfijn luisterden verbaasd naar de opdracht die Bernadette moest uitvoeren. Iedereen in het paleis wist immers dat deze kamer, na de verdwijning van Prins Eduard, nooit meer gebruikt was. Alleen de koningin kwam daar elke week en treurde over het verlies van haar zoon. 

Prins Eduard was twee zeejaren geleden ontvoert door een bende stekelbaarsjes toen hij met zijn mosselvriendjes buiten het paleis op het zeegras aan het spelen was. Zij waren zo verdiept geweest in hun spel, dat zij de bende van Knor, het stekelbaarsje, niet hadden opgemerkt. Het hele onderwaterwereldje was bang van deze bende, want zij roofden alles wat zij te pakken konden krijgen en voor ontvoering en grof geweld schrokken zij niet terug.
Daarom had de Koningin opdracht gegeven aan de zwaardvissen dat zij goed moesten uitkijken en haar zoon beschermen indien dat nodig zou zijn. 

Door onoplettendheid van de bewakers, had de stekelbaarsbende hun kans schoongezien en in een snelle actie trokken ze Prins Eduard in hun midden.
De zwaardvissen die bang waren om gestoken te worden door de stekels van de stekelbaarsjes, lieten hun zwaarden vallen en gingen er vandoor.
Sinds die tijd, was er niets meer van de Prins vernomen.

De koningin was heel verdrietig en huilde vele zeemaanden lang.
En nu, nu kwam daar zomaar een jongetje naar haar paleis en ze moest weer denken aan haar lieve Eduard.
 Zou Pimmetje niet de plaats in kunnen nemen van het Prinsje?
Dan zou ze niet meer zo eenzaam zijn. ‘Weet je wat’ dacht ze, ik zal morgen aan Pimmetje vragen of hij wil blijven.
Eérst moet hij maar eens lekker gaan slapen. 

Toen de mooie zeemeermin even later terugkwam met de zeevruchten, viel Pimmetje er uitgehongerd op aan , en toen hij alles lekker opgepeuzeld had, klapte de koningin in haar handen en verscheen Bernadette die hem gebaarde met haar mee te gaan.Moe, voldaan en doezelig ging Pimmetje met haar mee naar de kamer van Prins Eduard. 

‘Wàt een mooie kamer!!!’ riep Pimmetje. Het was een echte jongenskamer met het mooiste speelgoed dat je maar kon bedenken.‘Waar is het jongetje dat hier heeft gewoond?’ vroeg hij aan Bernadette. Die vertelde hem het verhaal van de verdwenen prins. Pimmetje schrok!!
Hij begreep hoe verdrietig de koningin moest zijn en nam zich voor om morgen het prinsje te gaan zoeken. Misschien lukte het hem, met zijn mensenverstand wél om prins Eduard te vinden.
Met dit goede voornemen was hij al gauw in slaap gevallen en de volgende morgen kwam de Koningin in hoogsteigen persoon Pimmetje wakker maken voor het zeeontbijt, dat bestond uit gerookte garnalen op een bedje van zeegras en opgediend met melk van de zeekoe.
Dat was wel een heel ander ontbijt dan dat hij thuis voorgezet kreeg en het léék niet op spek,  maar Pimmetje begreep dat hij sterk moest zijn, wanneer hij erin wilde slagen het prinsje op te sporen. 

Nà het eten vroeg de zeekoningin aan Pimmetje of hij bij haar wilde blijven omdat zij zo eenzaam was zonder haar Eduard, maar Pimmetje vertelde haar van zijn plannetje om het prinsje te gaan zoeken en toen lachte de koningin weer. Ze had vertrouwen in Pimmetje en hoopte dat de Prins gevonden zou worden.
Ze beloofde dat Pimmetje weer naar huis terug zou mogen gaan, als het hem lukte de Prins te vinden. 

De andere morgen ging Pimmetje op weg. Hij zou naar de zee-tovenaar gaan en vragen of deze in zijn glazen bol zou willen kijken. Misschien zou dat het zoeken wat kunnen verlichten.
De zeemeerminnen Bernadette en Felicia zouden Pimmetje vergezellen.
Evenals een leger van zwaardvissen, die opdracht hadden gekregen alléén maar op te treden als het leven van Pimmetje in gevaar zou komen.
Verder bestond het gevolg van Pimmetje uit een aantal koffervissen, die eten en drinken moesten dragen. 

Oók had de koningin een briefje gestuurd naar Neptunus, de zeekoning van een naburig onderwaterland en hem gevraagd om Pimmetje met zijn gevolg vrije doorgang te verlenen.
Daar had zij wel vertrouwen in, want koning Neptunus was niet alleen een vriend van hààr maar óók van de zeelieden, die hem altijd weer een groet brachten wanneer zij de Evenaar passeerden. 

Na twee zeedagen bereikten Pimmetje en zijn gevolg de grot waar de zee-tovenaar woonde. Die deed eerst maar lelijk, maar toen Pimmetje vertelde dat hij op zoek was naar Prins Eduard, werd de tovenaar vriendelijker en was hij graag bereid om in zijn glazen bol te kijken.
En, ja hoor, nadat hij een poosje in de bol had zitten turen kon hij een glimp van het prinsje zien. Wàt zag hij? 

De tovenaar sprak: ‘ik zie een grot en een  jongetje dat gevangen zit in een net. Hij is vies en slecht gekleed. Zijn haar hangt verwart om zijn gezicht en hij huilt.  Ik zie ook een stekelbaarsje met een gemeen gezicht, dat het jongetje prikt, met het zwaard van de zwaardvis en ik zie een aantal stekelbaarsjes die hem steken en uitlachen’.
‘O, wat erg, zei Pimmetje. Vertel ons, wààr hij is en hoe ik hem moet vinden’
De tovenaar pakte een stuk zee-ouwel en tekende een kaart van de weg die Pimmetje en zijn gevolg zou  moeten gaan.
Nadat Pimmetje de tovenaar had bedankt gingen ze op weg naar de grot en na drie zeedagen kwamen ze op de plaats van bestemming. 

De grot werd bewaakt door een zeedraak. Pimmetje probeerde dichterbij te komen om de Prins te bevrijden, maar telkens had de draak het in de gaten en spuwde hij vuur, waardoor Pimmetje steeds weer terug moest wijken. Wat nu??
Pimmetje krabbelde eens achter zijn oren en dacht diep, diep na.
Hij wist dat de zeedraak dól was op gerookte garnalen. 'Als hij nou eens een handvol garnalen naar hem toe zou gooien?' dacht hij.
Dan zou de draak afgeleid worden en kon Pimmetje er tussendoor glippen. 

Pimmetje riep de koffervissen bij zich en vroeg hen om de hele voorraad garnalen aan de zeemeerminnen te geven. Die gooiden de helft van de  voorraad in het gezicht van de draak en ja……… het werkte.
De zeedraak draaide zijn kop helemaal om en had alleen nog maar erg in het lekkere hapje dat hem werd voorgehouden. Pimmetje glipte tussen de poten van het monster door, rende naar de prins en sneed gauw een gat in het net waarin de prins gevangen zat.
De twee leden van de stekelbaarsbende werden in de pan gehakt door de zwaardvissen die Pimmetje waren gevolgd.
‘Nu nog uit de grot zien te komen’ dacht Pimmetje.  

De draak had inmiddels zijn lekkere hapje verorberd en keek lodderig wat er achter hem gebeurde.
Maar toen Bernadette en Felicia de andere helft van de garnalenvoorraad in de ring gooiden, was de keus van de draak snel gemaakt en had hij alleen nog maar oog voor zijn lekkere maaltje. Zo’n smakelijke maaltijd kreeg hij ook niet elke dag! 

Prins Eduard was erg verzwakt, maar wel heel dankbaar voor zijn redding en toen Pimmetje hem vertelde dat hij nu weer gauw thuis zou zijn, waar de zeekoningin vol verlangen op hem wachtte, braken bij het prinsje de tranen los van vreugde.
Pimmetje stuurden de zeemeerminnen vooruit, om de koningin te vertellen van de wonderlijke redding van de prins en de stoet volgde wat langzamer, want de prins moest nog veel rusten.

Zes zeedagen later arriveerde de stoet op het paleis waar een dolgelukkige Koningin haar verloren gewaande zoontje in haar armen sloot.
In het hele paleis was er blijdschap en er werd een groot feest voorbereid ter ere van de prins.

De koningin was Pimmetje heel dankbaar. Ze kuste hem op beide wangen en hoewel ze liever had gezien dat Pimmetje bij Haar en Prins Eduard zou blijven wonen, beloofde zij hem, dat  de dolfijn Flipper hem,  nà het feest zou terugbrengen naar zijn vader, moeder en zijn zusje Pammetje. 

Zo was er weer blijdschap in het onderwaterpaleis en óók Pimmetje was dolgelukkig want nu zou hij weer gauw thuis zijn. Wàt zou hij een hoop te vertellen hebben en wat zouden zijn vriendjes jaloers zijn op de avonturen die hij had beleeft.
Hij nam zich voor om Pammetje nooit meer zo te plagen en voortaan lief te zijn voor zijn vader en moeder. 

Pimmetjes vader, die sinds zijn verdwijnen elke morgen naar de rivier ging en vol hoop en verlangen uitkeek over het water, zag op een morgen een dolfijn de rivier opzwemmen.  Maar……. Zag hij het nu wel goed???
Het leek wel of er iemand op de rúg van de dolfijn zat!!!
Het leek Pimmetje wel.
En ja hoor, het wàs Pimmetje. Vader kon nu heel duidelijk zijn blonde krullekopje zien.

Snel rende hij naar huis en riep blij, ‘Moeder, Pammetje, kom gauw. Pimmetje is terug’.
Ze holden naar de rivier, waar Pimmetje net op de pijler van de brug klom om aan wal te gaan.

‘Vader, Moeder, Pammetje. O, wat ben ik blij dat ik jullie weer zie. Ik zal nooit meer weglopen Vader.
Thuis is het toch het allerfijnste!!!!.’
Snikkend van blijdschap vloog hij in de armen van zijn ouders en zei;
Krijg ik nu weer lekkere aardbeien en pannenkoeken mams, want er is toch niemand die zo lekker kan koken dan U.

Hij keek nog even om en zwaaide naar Flipper de Dolfijn. Hij zou al zijn nieuwe vriendjes in de diepzeewereld missen, maar óóóh….. wàt was hij blij weer thuis te zijn!!!.
Later zou hij àlles vertellen over zijn avonturen, maar weglopen zou hij nooit meer doen. 

Zó kwam er aan dit verhaaltje toch nog een gelukkig einde, zowel voor de zeekoningin en haar zoontje prins Eduard, als voor Pimmetje, die zich maar wat graag liet knuffelen door zijn ouders en zijn kleine zusje. 

©Mieke Batenburg 2003  

Logeren bij oma!

 

‘Oma, mogen we nog even buiten spelen?’
Davey, Joey en Myelle kijken hun oma verwachtingsvol aan.
Zij logeren al veertien dagen bij hun oma in de caravan die midden in de bossen van Brabant staat en ze komen graag, want daar in het bos is altijd van alles te beleven.
Je kunt er dennenappels zoeken en er zijn heel veel bomen waar je in kan klimmen en mooie rode paddestoelen.
De kinderen zijn altijd op zoek naar de kaboutertjes die in het grote bos wonen, zoals hen is verteld. Maar tot nu toe hebben ze er nog nooit een gevonden.

Er zijn ook allerlei dieren in het bos. Vogels van allerlei soort, die zingen en fluiten van de vroege morgen tot de late avond. Als het ochtend wordt, worden de kinderen gewekt door de koerduiven die de nieuwe dag aankondigen.
Dan is er ineens weer leven in het, zo stille, donkere bos.

Ja, de dieren in het bos,  zijn de grootste vriendjes van de kinderen. ’s Avonds, als het al gaat schemeren, komen de konijntjes uit hun holletjes en vieren feest op het open veldje, vlak voor oma’s caravan.

Als Joey, Davey en Myelle dan heel stil zijn, hebben de konijntjes er geen erg in dat zij er ook zijn en spelen en dartelen ze naar hartelust verder.

De  eekhoorntjes laten zich ook nog even zien en zeggen hun vriendjes goedendag. Er zit een eekhoorntje vlak bij hen op een eikeltje te knabbelen.

Dat is een leuk gezicht, zoals zo’n mooi klein, eigenwijs eekhoorntje met zijn volle, recht overeind staande bruine staart, de eikeltjes tussen de beide voorpootjes vasthoudt en vol overgave zit te genieten van zijn eikeltje.

De kinderen zijn heel stil op het groene mos gaan zitten om van dat schouwspel te genieten. Ja, ze komen graag bij oma en wilden nog even buiten blijven spelen.
 Het is een mooie, warme zomerdag geweest en ze hebben  nog lang geen zin om te gaan slapen.

’Hé oma, mag het nou nog even?’ vragen de kinderen nogmaals aan oma die nog steeds geen antwoordt heeft  gegeven.
’Ja maar, kinderen’, zegt oma. ‘Het wordt al donker en dan heb ik niet graag dat jullie nog buiten zijn. Vóór je het weet zie je niks meer door die hoge bomen en dan zou je gemakkelijk kunnen verdwalen.’
’Hé toe nou oma. We zouden heel goed opletten en zorgen dat we binnen zijn, vóórdat het écht donker wordt’, bedelt Davey.

‘Nou, vooruit dan maar’ zegt oma, ‘maar wel op het open veldje hier vlakbij blijven hoor!’

Blij huppelen de kinderen het hek uit dat de staanplaats van de caravan ’s nachts afsluit om mens en dier van het erf te houden, naar het open veld, waar de camping beheerder een aantal speelattributen heeft geplaatst voor de kleinere kinderen.
Zoals een paar schommels, zandbak en klimrekken.
De konijntjes trekken zich nu schielijk terug in de bosjes die aan de rand van het veldje staan.
Van zoveel kabaal zijn zij nu niet bepaald gediend.
De dag loopt op z’n eind en dan zoeken zij hun holletje weer op na een partijtje robbedoezen. In de schemering hoort  het bos van de dieren te zijn, vinden zij.

 

Glimlachend kijkt oma de kinderen na.
Ze is blij dat haar kleinkinderen zo graag bij haar komen.
Sinds opa een paar jaar geleden is gestorven, is er een grote leegte in haar leven ontstaan, maar die kleine hummels hebben haar weer vreugde gebracht.

Ze pakt haar boek, waarin zij zat te lezen weer op en nestelt zich tevreden in haar gemakkelijke stoel onder de hoge bomen in haar campingtuin.
’Hé, heerlijk rustig zo’, mijmert ze.

Intussen amuseren de kinderen zich uitstekend op het speelveldje.
Davey doet zijn best om het klimrek te beklimmen en Myelle en Joey hebben ieder een schommel te pakken gekregen.
Het is rustig nu op het veldje. De meeste kinderen uit de andere caravans die her en der in het bos verspreidt staan, zijn al naar binnen en dus zijn alle schommels vrij en kunnen ze vrijelijk een keuze maken.
Myelle schommelt op haar gemakje, maar Joey, gaat steeds hoger en hoger.
’Kijk eens’, roept hij naar zijn broertje en zusje, ‘Hoe hoog ik al ga!’
’Niet zo hoog Joey’, roept Myelle angstig naar haar broertje. ‘Kom er nu maar af, we moeten naar huis!’
’Even nog,’ roept Joey en hij zet zich flink af om nóg hoger te kunnen komen.  Hoger en hoger komt hij en Joey gilt van plezier.

Davey en Myelle kijken angstig toe. Zij vinden het maar niets en zij manen hun broertje om er mee te stoppen. ‘Het is tijd Joey, oma wacht op ons’ roepen ze, maar dan gebeurt het.
De schommel komt over het hoogste punt en Joey wordt pardoes van de schommel geslingerd. Davey en Myelle roepen angstig zijn naam, maar Joey is nergens meer te zien en zij krijgen geen antwoordt op hun geroep.

Verdrietig gaan ze naar huis en vertellen oma wat er is gebeurt.
Het is inmiddels helemaal donker geworden en oma vraagt aan de mensen van de camping om haar te helpen zoeken om haar kleinkind terug te vinden.
Met zaklantaarns gaan de mannen op pad en het hele bos is ineens verlicht maar nergens is er een klein jongetje te zien. ‘Waar zou hij toch zijn?’ vraagt oma zich  ongerust af en zij verwijt zichzelf dat ze de kinderen nog zo kort voor het donker, toestemming  heeft gegeven om buiten te spelen.

De mannen van de zoekploeg zoeken inmiddels ijverig voort.
Steeds weer Joey’s naam roepend maar op hun geroep komt maar geen antwoordt.
Uur na uur lopen ze nu al in het donkere bos zonder enig teken van leven van de kleine Joey. De mannen worden moe en de boswachter denkt erover om de zoektocht te stoppen, maar dan hoort één van de mannen plotseling het geluid van een brekende tak en een zacht stemmetje dat roept: ‘Hier ben ik’,

Dichterbij gekomen zien ze Joey zitten op een grote tak van een dennenboom Blij en gelukkig sluit oma haar robbedoes in haar armen en zegt,  terwijl ze haar tranen droogt:
’Jongen toch, wat heb je oma laten schrikken. Dat mag je echt nooit meer doen hoor’


’Ja maar oma,’ zegt die kleine aap, ‘kijk eens wie er naast mij zit’ en toen zag oma het pas.
Er zaten twee kleine kaboutertjes naast Joey op de tak.

Eén met een blauw jakje aan en een roden puntmuts en een klein kaboutervrouwtje met een rood jasje.
Zij hadden Joey gevonden  in het bos toen hij als een raket vanaf de schommel in de boom was gevlogen. Ze hadden hem te drinken gegeven en zijn wonden verzorgt.

’Zie je nou wel oma, kaboutertjes bestaan wél en als ik niet zo ondeugend was geweest, had ik ze nooit gezien.’


Oma glimlacht, ‘zo kun je het ook zien’, dacht zij.

Zij bedankt de kaboutertjes heel hartelijk en Joey belooft hen, de andere dag terug te komen met zijn broertje en zusje om hen te bezoeken.

 

Thuis gekomen, neemt zij haar kleine ondeugd in haar armen, geeft hem een dikke knuffel en stopt hem tevreden in bed, terwijl zij zegt:
“Welterusten lieverd, maar je moet oma nooit meer zo laten schrikken hoor!”
"Bent u niet boos meer op mij oma?",  vraagt Joey.
Oma schud haar hoofd.
"Nee hoor, ondeugd. Ga nu maar lekker slapen."
Ze is allang blij dat alles zo goed is afgelopen.


En toen....... kwam er een olifant met een lange snuit

En die blies dit verhaaltje uit.

 

Mieke Batenburg


Uw kop

Schrijf een commentaar: (Klik hier)

123website.nl
Tekens over: 160
OK Verzenden.
Bekijk alle commentaren

Nieuwe commentaren

06.11 | 17:30

Nou Mieke,
Je had een zeer bewogen leven.
We hebben een paar dingen gemeen.
Maar we zien elkaar wel bij Pen & Penseel
Leuk om dit gelezen te hebben.
Joke N.

...
18.06 | 13:03

Marianne, ik kreeg van Ineke van den Tol, dochter van Cor van den Tol, een mailtje of ik jou haar emailadres door wilde geven. Dat is catvandentol@versatel.nl

...
18.06 | 12:01

Hallo Marianne,

Ik heb aan Ineke van den Tol een mailtje gestuurd om jouw bericht onder haar aandacht te brengen.

Ik wens je heel veel succes.

Groetjes,Mieke

...
14.06 | 13:50

Hoi Mieke, ik zoek familie van cor van den tol en zag dit toevallig op je pagina staan. Ik hoop dat ineke dit ook leest en contact op wil nemen. Mvg marianne

...
Je vindt deze pagina leuk
Hallo!
Probeer uw eigen website te maken, net als ik! Het is makkelijk en u kunt het gratis proberen
ADVERTENTIE